DSASpeelgroep

Een forumpje voor onze spelersgroep.
 
IndexFAQZoekenRegistrerenGebruikerslijstGebruikersgroepenInloggen

Deel | 
 

 Jaar des Vuur: Dagboek

Ga naar beneden 
Ga naar pagina : 1, 2  Volgende
AuteurBericht
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Jaar des Vuur: Dagboek   ma sep 08, 2008 11:42 pm

Jaar des vuur

I De formaliteiten

Ieder van ons had net een beloning gekregen voor onze diensten naar het keizerrijk toe. Nimrod kreeg een barontitel aangeboden, maar weigerde deze. De keizerin bood aan om ons door de stad te laten leiden door een vrouw genaamd Franka Salva Galahan. We namen het aanbod aan omdat we toch niet veel beter te doen hadden voordat het toernooi zou beginnen waar iedereen zo graag aan wou deelnemen. Vrouwe Franka vertelde ons wie ze was, en vroeg ieder van ons om ons voor te stellen. Zo gezegd zo gedaan. Daarna gingen we onmiddellijk op weg. Thenaka en de nieuw gekomen magiër, wensten nieuwe kledij. We reisden in een groep naar de kledingwinkel. Zelfs de heks vergezelde ons.

De kledingwinkel was niet erg ver, en zeer pretentieus. Thenaka en de magiër bestelden hun kleren, vertelden hoe ze eruit moesten zien, en wuifden het advies van de verkoper weg. De man bood mij ook kleren aan, maar ik weigerde. Ik zou toch binnenkort mijn nieuw gewaad krijgen omdat ik was benoemd tot “Kind van de regenboog”. Nadat de bestellingen waren gedaan, en het voorschot was betaald, gingen we op zoek naar een herberg, in Oud-Garethië. We kwamen terecht op een groot plein waar een gigantisch standbeeld op stond van keizer Hal. De man die zo’n 20 jaar gelden is verdwenen tijdens een jachtpartij. En daar stuitten we op Ayla van Schattengrond. Het zwaard der zwaarden. Ze kwam ons tegemoet en groette ons. Ze was er bij geweest toen we onze beloning kregen, en vertelde Thenaka dat Nimrod onder de indruk was geweest van zijn vaardigheden met het zwaard. We zagen dat Ayla’s troepen de straat begonnen af te zetten.

Ze zei dat ze liever zelf wou ondervinden of Thenaka al dan niet zo goed was, en daagde hem uit. Thenaka nam de uitdaging – uiteraard – aan. Ayla trok Armalion uit de schede maar stak deze tot mijn opluchting weer weg. Ze zei dat dit enkel voor de ‘zwaardere’ tegenstanders was, en trok een ander zwaard. En zo begon het gevecht. Het duurde lang. De ene viel aan, en de andere weerde af. Ze vochten tot het eerste bloed, wat dat ook moge betekenen. Thenaka sloeg erin om Ayla te raken, maar kreeg toen een slag van haar zwaard dat nogal hard aankwam. Toen was het gevecht afgelopen. Thenaka was gelukkig nog bij bewustzijn. Toch. Ayla zei dat Nimrod de waarheid had gesproken, en dat Thenaka inderdaad enkele vaardigheden had. Ik denk dat haar erkenning veel voor hem betekende.

Het zwaard der zwaarden vroeg ons dan de zeer pijnlijke vraag, wat er met haar neef was gebeurd. Nou ja, iedereen stond er maar wat raar bij. Enkel Thenaka en ik wisten wat er was gebeurd, en we hadden hierover wijselijk onze mond gehouden tegenover de rest. Ayla merkte onze moeilijkheden kennelijk op en nodigde ons uit voor een etentje om alles te vertellen. Dit deed ze op dezelfde avond dat de keizerin had aangeduid om haar andere verhalen te vertellen, dus moesten we weigeren. Ayla leek het te begrijpen, maar vroeg niet naar een andere avond. Ze waarschuwde ons wel voor ene Jast Gorsan, graaf van Noordmarken. Ik was niet van plan haar waarschuwing niet in acht te nemen. Toen vertrok ze weer. Logischerwijze had Ayla van Schattengrond wel wat betes te doen dan met ons te staan kletsen.

II De rioolroute

Franka Salva was zo vriendelijk om ons de herberg te wijzen waar we zouden overnachten, de komende week. De herberg heette: Het satijnen gordijn en was blijkbaar de meest prestigieuze herberg die er was. We zouden ieder een kamer nemen voor ons apart. Ik wou niet met één van de jongens op één kamer slapen, bedenkend wat de ridder de vorige keer had gedaan, en de heks was nog vrij… nieuw. Haar al vertrouwen kon ik niet doen. Dat is al zeer gevaarlijk gebleken. Iedereen vroeg een gewone kamer, maar de ridder besloot, na enige twijfel die werd opgelost toen werd vermeld dat het paleis de helft van de prijs betaalde, een suite te nemen. Ik vond het een zeer vreemde beslissing voor een ridder. Ik dacht dat die mannen wel wat gewoon waren, en om dan een suite te nemen… nu ja, wat weet ik er nu van.

Franka Salva liet ons alleen en wist ons te zeggen dat als we iets nodig hadden, we het maar moesten vragen aan het paleis. Iedereen zag ons aan als helden. Ik zag het niet bepaald zo, om de één of andere reden. In mijn kamer lagen mooie tapijten en de wanden waren kleurrijk beschildert. Het was best een aardige kamer. Maar daar zou ik niet al te lang blijven. Ik had andere zaken te doen. We waren nu eindelijk in Gareth aangekomen, en dus moest ik mijn slag slaan. In Gareth kan je immers alles krijgen, voor de juiste prijs uiteraard. En terwijl de jongens wapens gingen kopen en de heks zich ging inschrijven voor het opkomende toernooi, sloeg ik een paar willekeurige weggetjes in, op zoek naar hetgeen ik zo fel begeer.

Ik ontmoette een marktkramer, die me er wel geschikt uitzag, en vroeg informatie omtrent het item. Verbazingwekkend genoeg werd de man plots duister en sprak stilletjes tot mij. Ik moest het riool ingaan, en een bepaalde weg volgen, die ik snel noteerde. Om middernacht zouden ze mij verwachten in de kamer die ik zou vinden. Ik bedankte de man en vervolgde mijn weg terug naar de herberg. Ik zou dus moeten wachten tot ’s nachts. Dat kon ik nog wel doen. Ondertussen was het misschien slim om geld op te doen. Ik kon me wel indenken dat ik een felle prijs zou moeten betalen, en ik sliep nu eenmaal in het meest prestigieuze hotel van Oud-Garethië, dus leek het me wel de geschikte plek voor een dobbelspelletje. Meestal had ik daar geluk mee. Ja… meestal. Deze keer dus niet. Ik ben vlakaf verloren. Ach ja, de volgende keer beter.

Toen viel de nacht stilletjes over Gareth heen, en de straten liepen langzaamaan leeg. Het zou ongeveer de tijd zijn om het riool in te trekken. Ik verliet de herberg en klom het riool in. Het was er smerig en het stonk er, maar ik trok me er niet veel van aan. Ik volgde de weg die me was beschreven en kwam uiteindelijk in de kamer aan. Het was er leeg. Enkel het zwakke licht van mijn fakkel scheen lichtjes door de vertrekken. Er was geen ziel te bespeuren. Ik begon me af te vragen of ik me vergist had in tijd. Misschien was ik al te laat. Ik bleef daar eventjes staan denken, toen ik iets hoorde. Ik draaide me om en zag een paar mannen staan. Ze verwachtten me duidelijk. Ik glimlachte. Ze draaiden niet rond de pot, en vroegen me of ik diegene was die had gevraagd naar dat heerlijke ding. Ik vertelde ze dat ik dat was. Ze zeiden dat ze het konden krijgen, maar dat het wel twee weken zou duren. Ook zou ik al 20 dukaten moeten betalen om hun onkosten te vergoeden. Dat deed ik. We spraken binnen exact twee weken af, op dezelfde plek, dezelfde tijd, ik met 80 dukaten bij me, en toen vertrokken ze en gingen we uit elkaar. Ik ging maar terug naar de herberg. Ik heb ook mijn slaap nodig.

III Kind van de regenboog

Er was een kind naar me toe gekomen die me had verteld dat ik me moest gaan inschrijven in de Tsa-tempel. Daar zou ik dan loon krijgen, na mijn hoofdtempel te hebben opgegeven. Het kind gaf me een nieuw gewaad, met een witte kraag en een zilveren speld met de beeltenis van een kameleon erop. Dat ging ik dus doen. Ik ging naar de Tsa-tempel. En wat een… hoogst eigenaardige plek was dat. Ik had nog nooit zoiets gezien. Ik moest eerst door een oerwoud –leek me – trekken, om de tempel te bereiken, om dan met een touwladdertje omhoog te klimmen. Ik kwam uit op een balkonnetje en moest met een glijbaan terug naar beneden. Het was geweldig. Toen ik terug beneden kwam zag ik meer Tsa-priesters bij elkaar dan ik ooit in mijn hele leven had gezien. Ze waren allen bezig met kinderen. Uit een bepaalde gang kwam afgrijselijk geschreeuw, dat klonk alsof er mensen gefolterd werden.

Er kwam een meisje van zo’n 12 jaar oud naar me toe. Ze droeg een regenbooggewaad en leek al priesteres te zijn. Ze begroette me en vroeg naar de reden van mijn komst. Eerst vroeg ik wat er aan de hand was in de kamer waar het geschreeuw vandaan kwam. “Dat is de verloskamer” zei ze rustig. Dat ik daar niet aan had gedacht. Natuurlijk. Toen vertelde ik haar dat ik me kwam laten inschrijven. Ze zei dat zij er bevoegd voor was en zo gezegd zo gedaan, schreef ze me in. Ik kreeg ook al loon, namelijk 10 dukaten. Toen vroeg ze of ik wou blijven en helpen met het verzorgen van de kinderen. Ik moest echter weigeren. De rest van de groep zou plezier gaan hebben op het toernooi, dus wou ik ook iets doen. Ik moest me dus gaan inschrijven voor de danswedstrijd. En dat was in de Radja-tempel. Dus zei ik gedag en zocht mijn weg terug naar buiten. Weg van de ongelooflijke drukte, en dat geweldige doolhof.

IV Dineren met de keizerin

Zo gezegd, zo gedaan. Ik schreef me in voor de danswedstrijd, zodat ik ook aan iets zou kunnen meedoen, en vertrok daarna naar het keizerlijk paleis. We waren immers uitgenodigd voor het diner, zodat we ons verhaal konden vertellen. Ik vroeg me af hoe ik dit zou doen zonder de verraderlijke praktijken van Ippolitia te verraden, en of het wel zo’n goed idee was dit niet te doen. Nu ja, Nimrod zou me waarschijnlijk afmaken, moest ik één voet over de schreef zetten dus kon ik me maar beter koest houden.

Het informele diner had toch welgeteld 15 andere gasten die er ook waren. Iets minder privé dan ik had gedacht, maar wat had ik ook anders kunnen verwachten, natuurlijk. Ik had natuurlijk het ongeluk om naast Rohadja, onze toekomstige keizerin te komen te zitten. Dan had ik zelfs nog liever de stoel naast Nimrod in beslag genomen. Maar goed, ik zou geen scène maken in het keizerlijke paleis. Ik zag hoe onze magiër een gesprek aanknoopte met Ippolitia over haar magie, en de zijne. Tja, hoe zal ik het zeggen,… hij kwam een beetje te bedreigend over naar mijn mening en om te voorkomen dat hij plotseling in de kerkers zou belanden of hoogstwaarschijnlijk erger, duwde ik een hete Bornappel in zijn mond. Dat hield hem gelukkig stil. Magiërs zijn slim, naar ik hoor. Hij had dus uiteraard de hint begrepen. Ippolitia drong ook niet verder aan op een ruzie.

En toen sprak Rohadja tegen mij. Ik weet dat ik eerbied zou moeten hebben voor de toekomstige keizerin, maar ze lijkt me soms te veel op een klein kind dat haar macht durft te gebruiken, als ze iets wilt, hoe dom dit ook is, of hoe tegenstrijdig… . Hoe dan ook vond ik haar geen leuke gesprekspartner. Ik keek haar behoedzaam aan, beduidend dat ze kon zeggen wat ze wou zeggen. Tot mijn grote verbazing verontschuldigde ze zich, voor wat ze had gezegd. Ze zei dat ze het niet had moeten doen. Nu ja, dat was al een goed begin. Ook vroeg ze of ik eens naar haar zou kunnen komen kijken, omdat ze zich niet zo goed voelde. Ik ging akkoord. Ook al was ik een beetje ontstemd over haar, ik moest toch een beetje kijken dat ze in orde was. Na het diner. De heks was een gesprek begonnen met Nimrod en de vonken vlogen ervan af. De ene belediging na de andere, al dan niet verstopt onder allerlei subtiliteiten, vlogen elkaar om de oren. Iemand die van ver had toegekeken had kunnen denken dat ze gewoon een gesprek aan het voeren waren. Sommige mensen houden er gewoon van om te discussiëren, denk ik.

Plotseling kwam er een dwerg, jawel, een dwerg binnengewandeld en ging op een stoel zitten waarna hij onmiddellijk om kussens riep, die hem snel werden gebracht. Blijkbaar luidop zei ik dat ik hem schattig vond, en dat was het ook. Het hele tafereel was gewoon schattig. Toen vroeg er iemand of ik wel wist wie hij was. Toen ik zei dat ik dat niet wist, vertelde hij me, dat hij de zoon was van de hoogkoning van de dwergen. Plotseling was hij niet schattig meer. De heks begon te praten met een half-elf die daar ook zat. Ik luisterde ietwat afwezig mee. Ik was me meer zorgen aan het maken over Ippolitia. Ik kon het maar niet begrijpen. Ze had weliswaar geprobeerd om Rohadja te vermoorden, had snel een verhaaltje in elkaar gestoken dat vol gaten zat, en dat nam iedereen dan maar aan voor waarheid. En hier zat ze dan, vlak over Rohadja, in staat om haar te vermoorden met een vingerknip. Hoe kwamen ze erbij, hoe kwam Dextor Nimrod, de slimme, gewiekste leider van de KGI, er bij Tsa bij, om haar te vertrouwen. Het was ongehoord.

En toen moesten we ons verhaal vertellen. Wat we hadden gedaan toen we achterna werden gezeten door orken, toen we in een behekst kasteel waren beland, waar alle hoop verloren bleek. En hoe we de koningin van gareth uit de klauwen van de orken hadden gered. En toen zei Jast Gorsan, de man waar Ayla ons voor had gewaarschuwd, dat we helden waren en dat er meer zo’n mensen nodig waren. Ik zag Ayla naar hem kijken met een blik die alleen een vrouw kon sturen. Ik vind haar steeds sympathieker. Nee, Jast Gorsan dan, vroeg ons om hem te begeleiden naar zijn suite, om verder te praten. En met ons bedoel ik, de heks en ik. Ja, dag. Zo naïef ben ik al lang niet meer. Ik zei dat ik wel wat beters te doen had, en dat ik al had afgesproken met iemand. Hij vroeg met wie, en ik liet hem onsubtiel merken dat dat zijn zaken helemaal niet waren. Toen hij zich richtte naar de heks zei ik dat zij ook mee moest komen. Hij drong nog een lange tijd aan maar gaf het uiteindelijk op.

Terwijl iedereen aan het praten was, de heks weer met de half-elf, ging ik naar Nimrod. Ik moest hem vragen of hij nu werkelijk zo dom was. Ik vroeg hem of hij Ippolitia nu werkelijk vertrouwde en wat hem bezielde om dat te doen. Hij zei dat het noch de tijd, noch de plek was om erover te praten en sprak met mij, en de rest af om naar de suite te gaan van de ridder, die volgende morgen, om er verder over te praten. Ik ging akkoord en luisterde naar het verhaal van de half-elf, die vertelde over haar geliefde die was gestorven, en die ze had opgehangen aan een boom, zodat de zwijntjes van hem konden smullen…

V Het plan

Toen het diner was afgelopen, ging ik met Rohadja mee, om te onderzoeken wat er nu juist met haar aan de hand was. Bleek dat ze gewoon een beetje last had van haar zwangerschap. Zeker niets abnormaals, gewoon wat ‘neveneffecten’. En het kind was ook kerngezond. Er waren geen complicaties, voor zover ik kon zien. Ik polste nogmaals naar de vader, maar nog steeds wou Rohadja me geen naam geven. Haar koppigheid maakte me gek. Uiteindelijk zouden de mensen zien dat ze zwanger was. Zoiets viel nu eenmaal op, en dan zouden ze vragen gaan stellen. En als dan aan het licht kwam wie de vader was, zou ik haar zeker niet kunnen helpen. Ik zou namelijk net zo verbaasd zijn, als de rest, gok ik. Het is maar raar. Als toekomstige keizerin zou ze toch in staat moeten zijn om te voorkomen dat die man zijn carrière zou worden beëindigd. Raar stelletje. Ik beloofde haar dat ik nog af en toe zou komen kijken naar haar en ging dan terug naar het hotel. Slapen.

Toen ik weer wakker werd, ging ik onmiddellijk naar de suite van de ridder. We hadden daar immers afgesproken met Nimrod. Hij kwam al snel ter zake, en vroeg wat we van Ippolitia vonden. Daar moest ik niet lang over nadenken. Ik vertelde vlakaf dat ik haar een verraadster vond, dat ik niet begreep dat iedereen haar vertrouwde en dat ze naar mijn mening ver uit de buurt van Rohadja moest worden gehouden, zonodig opgesloten. De ridder had er een andere mening op na. Hij vond dat er niets mis was met Ippolitia en dat we waanideeën hadden. De heks sloot zich tenminste nog wel aan bij mijn mening.


Laatst aangepast door Dawn op wo sep 10, 2008 2:16 pm; in totaal 1 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   wo sep 10, 2008 2:15 pm

Toen dit alles gezegd was stuurde Nimrod de ridder weg met een ‘belangrijke’ opdracht. Hij moest een boodschap gaan bezorgen aan een bepaald iemand. Ik vroeg me af wat het was, en bedacht nogmaals dat Nimrod wederom de verkeerde kant van het verhaal had gekozen. Dit totdat de ridder weg was, en hij werkelijk tot zaken kwam. De ‘opdracht’ was geweest om de ridder weg te sturen, en een werkelijk plan met ons te bespreken. Hij zei dat Ippolitia ging jagen, één dezer dagen, en dat we haar dan moesten ontvoeren, onderweg. Nu ja, niet zonodig ontvoeren als afleiden, lokken naar de westkant van het bos. Nimrod zou voor de rest zorgen, zei hij.

Eerst ging ik niet akkoord. Ik wist niet wat Nimrod van plan was nadat hij Ippolitia in zijn klauwen had. Hij zou haar nog durven vermoorden, gezien zijn reputatie. En toen ik hem dit ook rechtuit zei werd hij ongelooflijk kwaad. Hij stak een razende tirannie af over zijn opofferingen, over hoe ik kinderlijk en dwaas was en niets begreep van het keizerrijk en nog meer van dat soort dingen. Ik was er wel even van geschrokken, laat dat duidelijk zijn. Hij richtte zich dan tot de heks, zodat ik even kon nadenken. Uiteindelijk zei ik dat ik zou helpen. Nimrod gaf grootmoedig toe dat hij zich in mij vergist had. Iets dat ikzelf op dat moment niet kon doen. En zo werd ons gesprek besloten.

VI De zwarte ridder

We stonden allen op het plein toen Sir Leeuwenhart, de Maarschalk en rechter van het toernooi, naar voren trad om de regels klaar en duidelijk vast te leggen. Zo mocht er niet met scherpe wapens gevochten worden, tenzij beide partijen het anders wilden. Er werd naar regel gevochten tot het eerste bloed, wederom tenzij beide partijen het anders wensten, en zo nog een hele lange waslijst. En toen die waslijst was afgerateld, verklaar de heer Leeuwenhart, het toernooi voor geopend. Ik kon mijn vreugde… gemakkelijk bedwingen. Thenaka zou zich hier wel kunnen uitleven. Zelfs de heks had zich voor iets ingeschreven.

En toen, vanuit het niets, kwam er plotseling een ruiter op de groep verzamelde mensen af. Hij reed op een zwart paard en was zelf volledig in het zwart gekleed. De helm die zijn hoofd beschermde en bedekte had de vorm van een ontzagwekkende wolvenkop. Ik zag zelfs die dappere maarschalk van zo-even, beven op zijn knikkende knieën. Uiteindelijk stapte hij iets naar de ridder toe, en eiste te weten wie hij was. De ridder zei dat zijn naam van geen belang was, maar dat als we er toch één wilden weten, we hem Arnaut moesten noemen. Hij verkondigde tevens dat hij aan geen enkel deel van het toernooi zou deelnemen, maar ze wel allen zou winnen. En dat was het laatste dat we van hem hoorden.

(Ziezo, eindelijk klaar)

Reminder -> Maarschalk Rudolf van Westerlinge, in de gunst van Rohadja

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   vr sep 26, 2008 12:18 am

VII Verdienen van dukaten

Ik heb me in de luren laten leggen. Misschien ook niet helemaal, ik weet het niet. Ik was gewaarschuwd, dat moet ik toegeven. Ik was, denk ik, gewoon iets te stoutmoedig. Maar ik ben levend teruggeraakt. Zonder hetgene ik zocht, en nog steeds zoek, weliswaar, maar ik geraakte terug in de herberg, nog eens 10 dukaten armer, en verder weg van de prijs dan ooit...

Dus ging ik naar het paleis. Ik begon wanhopig te worden. De tijd bleef verstrijken, en ik had nog steeds niets. Mijn geluk was de laatste tijd verdwenen, dus wou ik me niet meer wagen aan gokspelletjes. Er restte me nog een kleine hoop. De keizerlijke familie was vast niet arm, en daar ik hen al eerder had geholpen konden zij mij deze keer misschien een dienst doen. Dus ik ging op pad. Voor de paleispoorten werd ik tegengehouden door paleiswachten. Logisch, uiteraard. Ze vroegen me wat ik kwam doen, en ik vertelde ze dat ik koningin Rohadja wou spreken. Ze brachten me naar haar toe. Ik vond de escorte maar niets, maar ik bracht er niets tegen in.

Toen ik haar zag, was ze aan het schermen met een man die ik herkende als Alrik ban Bluitenau. Een cavalerie-officier. Rohadja stopte het kleine duel toen ze me zag, en ik voelde me onmiddelijk schuldig. Ik had alle tijd van de wereld, ik kon wel wachten. Ze sprak me vriendelijk aan, en vroeg me wat ik kwam doen. Ik vroeg haar onmiddelijk hetegene waar ik voor was gekomen. Ik vroeg haar om 100 dukaten. Goed, het was iets boven de prijs van de dukaten die ik nodig had, maar een beetje extra kon nooit kwaad. Je kon nooit weten wat de volgende catastrofe zou veroorzaken. Rohadja's ontzette reactie verbaasde me enigszins. Het keizerrijk had immers geen tekort aan geld, en als destijds een simpele baron in windhagen, 500 dukaten naar ons toe kon smijten alsof het niets was, wat was dan dit simpele bedrag voor een koningin, en niettemin de toekomstige keizerin? Toch zei ze dat het teveel was, dat ze me maximaal 50 dukaten kon geven. Dat was niet genoeg. Een bedrag dat niet genoeg was kon ik niet aanvaardden. Het zou geen waarde hebben. Ik weigerde het gehalveerde aanbod en wou net weggaan, toen Rohadja me vroeg haar nog eens te bekijken. Ze maakte zich zorgen. Ik slikte een verwijt in, en onderzocht haar nog maar eens. Alles was nog steeds in orde. Er was geen probleem, noch met haar, noch met het kind. Ze bedankte me, en ik vertrok, moedeloos.

VIII Ramp of opzet


Goed, ik ging terug naar de herberg, om wat slaap in te halen. Het was nodig, en ik had geen zin meer om iets anders te doen. Het leek wel of de Goden zelf me telkens in de weg stonden. Alhoewel... . Tijdens mijn verblijf in de herberg, tussen het slapen door, hoorde ik een paar vreemde roddels. Ik hoorde dat de keizerlijke schatkist leeg was. Ook hoorde ik dat Rohadja zwanger was – hoe wisten ze dat? - van een tweeling – misschien een beetje voorbarig – en van niemand minder dan van keizer Hal, die nog stiekem in Gareth woont – Ja... het zal wel. Na een tijdje van mokken en nietsdoen vernam ik dat ik uitgenodigd was voor een banket. Alweer. Voor een lege schatkist nemen ze het er nogal van in het paleis. Nou ja, je wist maar nooit wat er kon gebeuren. Ik had niet echt iets beters te doen, dus ik besloot om te gaan.

Op het banket zelf was alles weer mooi en gesofisticeerd aan de buitenkant, maar staken mensen elkaar stiekem onder water, nog net niet letterlijk. Nimrod zei dat Rohadja er niet bij kon zijn, omdat ze ziek was, maar dat we wel mochten blijven. Vreemd, toen ik haar de laatste keer had onderzocht was ze piekfijn in orde. Nu ja, misschien was ze vermoeid of zo. De magiër en de heks bestookten Nimrod plotseling met jammerklachten. Blijkbaar waren ze beiden beroofd. De magiër was blijkbaar ongelukkig gebonden aan een artifact, wat hem bestolen was, en de heks had niet genoeg op haar dier gelet en was deze ook kwijtgeraakt aan de hebberige handen van het volk van Gareth.

Wat hadden ze nu weer gedaan om die mensen uit te dagen. Zelfs Thenaka leek steeds vaker en vaker in een gevecht verzeild te geraken. Nu ja, het maakte toch al niets meer uit. Nimrod zei dat hij zou trachtten de gestolen goederen terug te krijgen. Ik twijfelde er niet aan dat dat wel eens goed zou kunnen helpen. Maar nu was het mijn beurt om iets te vragen. Ik schaamde me een beetje deel uit te maken van de overstelpingen terwijl de man zeer waarschijnlijk belangrijkere dingen aan zijn hoofd had, maar toch. Ik vroeg hem wat ik Rohadja had gevraagd. Nimrod was inschikkelijker. Hij zei dat ik het geld kon lenen, en het binnen een maand moest terugbetalen met intrest. Dat kon ik niet. Ik kon niet met zekerheid zeggen dat ik dat geld terug bij elkaar zou kunnen krijgen. En ik had al genoeg kerkers gezien om te weten dat ik er niet graag zit.

Ik sloeg het aanbod af. Ik vroeg hem of ik eens naar Rohadja moest gaan kijken. Nimrod zei van niet. Hij zei dat er al twee priesters bij haar waren. Ik drong aan. Ik wist van mezelf dat ik zelf best ook wel iets kende van heelkunde, maar Nimrod weigerde nogmaals. Ik was een beetje op mijn tenen getrapt, maar goed. Als hij mijn hulp niet behoefde, noch aanvaardde, moest hij later niet tegen mij komen klagen. Ook ik had andere dingen aan mijn hoofd.

De volgende dag deden we eindelijk iets aan Ippolitia. Ze was niet echt te vertrouwen, en we hebben haar begeleid. Ze werd teruggestuurd over de grens. Naar waar kan ik me niet zo goed meer herinneren, maar ze is weg, en dat is wat telt. Ook heb ik vernomen dat Alrik van Bluitenau – de man met wie ik Rohadja eerder heb zien schermen – verbannen is. Waarom? Nu ja... landverraad geloof ik dat het was, met een onderliggende reden, misschien... ? Nu ja, na die dag ging ik terug slapen in de herberg. Dat was ik tenminste van plan na het avondeten genuttigd te hebben. Maar daar kwamen we zelfs niet aan toe, want we hoorden plotseling, dringend hoefgetrappel, en het kwam onze kant uit. Thenaka leek onmiddelijk klaar te zijn voor de strijd. Iedereen zat gespannen te luisteren hoe het geluid dichterbij kwam, tot uiteindleijk Dextrot Nimrod zelve, de deur binnenstormde.

Hij riep naar ons dat we hem moesten volgen en dat deden we dus. We sprongen op onze paarden en volgden de panikerende Dextrot naar het paleis, sprongen de paleistrappen op, vlogen het gebouw binnen en gingen rechtstreeks naar de kamer van Rohadja. Daar stopten we, toen er net een priesteres buitenkwam. Ze schudde haar hoofd en Dextrot stortte ineen tegen de muur. Hun reactie inschattend, leek het bijna alsof Rohadja... “Ze slaapt nu” zei de priesteres. Bedoelde ze daarmee dat... “Het kind heeft het niet overleefd.” Ik was tegelijkertijd opgelucht en ontzet. Rohadja was in orde, en sliep werkelijk, maar het kind was dood? Hoe? Ik gaf mijn vraag klank. “Het was een vroeggeboorte” zei een priesteres. Een vroeggeboorte. Meende ze dat? De zwangerschap was amper een paar maanden ver. Hoe kon dit? Wantrouwend gluurde ik naar Dextrot die oprecht overmand was door verdriet, dat of hij was een zeer goed acteur. Ik maakte aanstalten om naar binnen te gaan maar ik werd tegengehouden. Rohadja moest rusten, en ze sliep... juist ja.

Thenaka vroeg Dextrot waarom ik niet bij Rohadja mocht, omdat ik de priesteres was van de godin van de geboorte. Thenaka had eigenlijk wel een zeer sterk punt. Inderdaad. Waarom mocht ik er eerder niet bij. Dextrot wist immers zeer goed dat ik Tsa-priesteres was. Hij zei dat het een inschattingsfout was, en dat het hem speet. Spijt komt te laat, en dat merk ik steeds meer en meer. Het spijt iedereen... uiteindelijk. Ik vertrouwde het hele zaakje niet. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik voor de gek werd gehouden. Neen, zeker niet de eerste keer. Ik besloot om naast de andere priesteres te gaan staan, naast de deur. Nee, als er weer iets zou gebeuren, zou ik het zien. De rest werd het paleis uitgeleid.

IX Het toernooi!

Omdat ik koppig stand had gehouden, en ook een kamer had gekregen vlakbij die van Rohadja, was ik erbij toen ze haar kamer uitkwam. Ze werd verteld om te blijven liggen, maar ze weigerde. Ze zei dat ze bij het toernooi moest zijn. Het was haar plicht, wist ze te zeggen. Ik kon het haar niet weigeren. Ze vroeg me om mee te gaan kijken naar het toernooi, en ik ging akkoord. Ik had toch niet veel beters te doen, eerlijk gezegd, en het zou leuk zijn om te zien... dacht ik. Dus ging ik mee naar de keizerlijke loge. Er stonden een heleboel mensen klaar om te beginnen. Ik was niet zeker met welke sector men zou beginnen, en eerlijk gezegd kon me dat ook niet al te veel schelen. OP eeen gegeven moment haalde Rohadja haar zakdoek tevoorschijn. Je zag verscheidene mannen glunderen, andere bloosden. Toen liet Rohadja de zakdoek naar Wolfhart toewaaien. Die vreemde ridder die zich kortgeleden bij ons had aangesloten. Ik zei Rohadja dat het geen goede keuze was om hem haar gunst te geven. Ik had namelijk meer vertrouwen in het kunnen van Thenaka. Maar Rohadja verklaarde dat haar keuze diplomatisch was geweest. Als ze iemand koos zonder enige belangrijke positie, kwamen daar geen problemen van.

Het eerste gevecht was snel beslist. De zwarte ridder was gewonnen van ene Eslan. Wolfhart vocht daarna tegen de smid van 100 helden, en slaagde erin tot mijn grote verbazing om te winnen. Thenaka's eerste gevecht was tegen een vrouw. Hij leek er niet al te enthousiast over, maar vocht desalniettemin, en won, zoals ik zeker had verwacht. En toen moesten Thenaka en Wolfhart de degens kruisen. Ik kon de uitslag al voorspellen. En het was ook zoals voorspeld. Thenaka won, op zeer overtuigende wijze. Het was niet lang daarna dat Rohadja me vroeh om haaar terug naar het paleis te begeleiden. Ze voelde zich blijkbaar toch slechter dan ze in eerste instantie had gedacht. Dus ging ik met haar mee, naar haar kamer. Het was het beste voor haar om toch nog even rust te houden, zoals haar was verteld. Ze had haar plicht gedaan. Nu vertelde Rohadja me tot mijn grote verbazing dat ze nog iets voor me had. Er lag een buidel in de kamer met daarin 80 dukaten. Ik mocht ze lenen en terugbetalen binnen het half jaar, zonder rente. Ik was zeer blij. Nu kon ik toch krijgen wat ik wou... hopelijk. Ik ondertekende het papier, bedankte Rohadja, en liet haar toen slapen. Ikzelf was ingeschreven voor de danswedstrijd die die avond plaats zou hebben. Misschien kon ik al een deel terugbetalen...

De dansavond had minder mensen aangetrokken dan ik had verwacht. Ze werd gejureerd door de opper-Radja priesteres en Rohadja. Er deed wel een professionele danseres mee. Maar goed, ik maakte best wel een kans, dacht ik. Met de godin Tsa aan mijn kant kon ik het vast wel winnen. En zo gezegd, zo gedaan. Ik deed mijn uiterste best, vertrouwde op de bijstand van Tsa, en jawel, ik won de danswedstrijd. Ik kon kiezen tussen 50 dukaten, of de kans om een jaar aan het hof te werken, of zoiets. Mijn aandacht verwaterde al bij het “1 jaar” deel. Ik koos uiteraard voor de 50 dukaten. De professionele danseres was een beetje boos op mij. Ze had haar hele leven voor dit moment getraind, zei ze. Eerlijk gezegd, vond ik dat een beetje zielig.

Toen begon er een banket. Ik betaalde die eerste 50 dukaten al terug aan Rohadja, en bedankte haar nogmaals. Er was lookbrood en gevulde kalkoen te eten. Geweldig! Toen ging ik praten met de half-elf. Ik had gehoord dat ze de schietwedstrijd had gewonnen, en dus de zwarte ridder had verslagen. Ik feleciteerde haar, en vroeg haar of ze er nu plezier in had gehad. Ze zei dat ze het wel leuk had gevonden, en at ze een prijs had gewonnen. Geïnteresseerd vroeg ik haar wat ze juist had gewonnen. Het was een boogpees, blijkbaar gemodificeerd door magie. Toen vertelde ze, dat ze gewoonweg die boogpees had weggegooid! Rustig vroeg ik haar waar dit nu juist was, en ze zei dat ze die had weggegooid in de toernooiring. En waarom? Omdat deze badok maakte. Goed, dat moest ik onthouden. Ik zou er later naar gaan zoeken.

Plotseling werd ieders aandacht getrokken door een verontrustend tafereel. Eén van die eigenwijze Praios-priesters vond het weer leuk om de heks te pesten. Hij beschuldigde haaar van het aanvallen van andere Praios-priesters. Daar wist ik niets van, maar ik was de laatste tijd niet zo vaak bij haar geweest. Ook thenaka, die ook aanwezig was, leek geen idee te hebben wat er aan de hand was. Ik kon niet veel doen. Ik had geen bewijs, noch voor, noch tegen haar. Maar toen kregen we hulp vanuit een wel zeer onverwachte hoek. Jast Gorsan, de man voor wie Ayla ons uitdrukkelijk had gewaarschuwd, kwam tussenbeide. De Praios-priesters verbleekten zichtbaar.

Ik voelde me bijna alsof ik een kindergevecht aanschouwde, want Jast Gorsan dreigde ermee zijn broer erbij te halen. Dit had wel zeer duidelijk effect. De praios-priesters verontschuldigden zich en krompen zichtbaar ineen. Jast gorsan deed er nog een schepje bovenop. Hij zei dat als er ook maar iets met de heks zou gebeuren dat enigszins verdacht was, hij achter hen aan zou komen. Daarna dropen ze af. Nu was de broer van Jast Gorsan blijkbaar de hoogste Praios-priester. Een man waar je inderdaad ontzag voor moest hebben. Ik was onder de indruk en mijn achterdocht smolt weg als sneeuw voor de zon.

Plots trok er iets of iemand aan mijn gewaad, en ik keek verbaasd om. Voor mij stond er een jongetje onschuldig te wezen. Hij vertelde me dat de Tsa-priesteres Salinde naar me had gevraagd. Ik bedankte hem waarop hij naar Jast Gorsan ging die de jongen – blijkbaar zijn zoon – op zijn schouder klopte. Ik ging naar de Tsa-priesteres die nu stond te wenken. Toen ik bij haar stond begon ze geheimzinnig te fluisteren. Ze zei dat wat z eme ging vertellen geheim moest blijven. Ik mocht het enkel vertellen aan andere Tsa-priesters en kinderen. Mijn nieuwgierigheid begon lastig te doen. Dus vertelde Salinde dat ieder die deze afspraak had gehoord ging verzamelen om middernacht, buiten. Ze zei me dat ik zeker moest komen, en een verfborstel moest meenemen. Wat het ook was dat we gingen doen, ze hadden het gedoopt: “Operatie regenboog”. Ik kan nauwelijks wachten.

Ziezo, klaar.

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   zo okt 19, 2008 11:30 pm

X Jeugdige onstuimigheid

Ik ging naar het toernooiveld, op zoek naar de boogpees die de half-elf had weggegooid. Ik begreep haar beweegredenen wel, maar het was toch een beetje zonde. Ik had nog schulden bij Rohadja, al was het niet veel meer, en ik bedacht dat ik met zo'n prijs, de prijs van de winnar, eerste plaats, toch wel een mooie prijs zou kunnen opleveren. Onderweg kwam ik de heks tegen met een dwerg in haar achterhoede. De dwerg leek te zoeken naar iets, terwijl de heks precies leek te weten waar ze juist naartoe ging. Ze ging dezelfde weg op als ik. Uiteindelijk kwamen we aan het toernooiveld uit waar overal tentjes rondom waren opgeslagen. Een paar lakeien waren blaadjes en rommel bij elkaar aan het harken. Tussen het puin en de lakeien door ging ik zoeken naar de boogpees, terwijl de heks en de dwerg naar een tentje gingen. En daar vond ik hem, op een hoopje rommel en afval, de boogpees. Het was een wonder dat niemand deze al had weggenomen. Maar ik vond het mooi meegenomen.

Ik had nog niet de tijd om te gaan kijken hoeveel de boogpees nu echt waard was, toen het toernooi met de zware wapens begon. Ik ging kijken om Thenaka aan te moedigen. De ridder niet zozeer. Mijn gok lag zoals altijd bij Thenaka. De Heraud begon een speech te geven over eerlijk vechten en dit en dat, niet genoeg dingen die me echt genoeg interesseerden om te onthouden. Maaar plotseling kwam er een klein jongetje het veld opgelopen naar de heraud toe. Hij trok aan de mouw van de heer, die zijn speech onderbrak om naar het jongetje te luisteren. Toen verslikte hij zich, en ging verder met de deelnemers aan te kondigen. Van de meesten wist ik niet eens wie ze waren. Ik herkende er een paar die ook hadden meegedaan aan andere toernooien, en uiteraard was de zwarte ridder ook weer van de partij. Maar toen kondigde de heraud aan dat Rohadja zelf ook zou meedoen. Rohadja! Ik kon het niet geloven. Wat ging er toc door de gedachten van dat meisje? Ik kon er echt niet bij. Nu dit weer!

Het toernooi begon. Thenaka moest eerst vechten tegen een banstraler genaamd Wolfpurga. Het duurde niet al te lang voordat Thenaka nog een zege binnen had. Nadat hij had gewonnen kwam Rondrigan naar mij. Hij vroeg mij of ik alsjeblieft niet mee wou komen helen, bij de anderen, woor als er iets zou gebeuren met Rohadja. Uiteraard stemde ik in met zijn verzoek. Toen moest Wolfhart, de ridder die ons al een tijdje vergezelt, vechten tegen ene maarschalk Argunde. Ik moet toegevn dat Wolfhart dat gevecht wel zeer overtuigend won. De zwarte ridder had in zijn gevecht blijkbaar zijn tegenstander gedood... perongeluk. Hij kreek 5 strafpunten. Ik vond het werkelijk schandalig!Maar ja, veel kon ik er niet tegen beginnen. En Rohadja leek haar gevecht ook gewonnen te hebben. Voorlopig was er nog niks aan de hand met haar. En toen moest Rohadja vechten tegen Rondrigan. Ze begonnen toen Rondrigan plosteling triomfantelijk struikelde en plat op zijn gezicht viel... en zo zijn zege verspeelde. Dat ging wel een beetje ver, en was een vrij domme zet van hem. Vreemde mensen die hier rondlopen in Gareth. Zeer vreemde mensen...

Goed, die vreemde situatie ter zijde, Thenaka moest terug vechten, tegen Torn ijsvinger. Een smid die ik al eerder had zien vechten, en verliezen tegen de ridder, dacht ik, dus ik verwachtte dat de zege zoiezo binnen was voor Thenaka. Maar Thenaka verloor wel zeer overtuigend! Met één enkele klap werd hij verslagen. Ik kon het niet geloven. Hij had heling nodig en daar werd ook voor gezorgd. Gelukkig had ik toch geen geld op hem ingezet. En toen was het wederom de beurt van de ridder. Hij deed nog steeds mee, wat al een verassing op zich was, vond ik. Hij vocht tegen maarschalk Ludolf en... jawel, hij won ook. Maar toen... toen moest hij vechten tegen Rohadja. Hij deed zeer zijn best om te winnen, net als Rohadja. De slagen werden uitgedeeld en teruggekaatst, ontweken en terug uitgedeeld. Het was een dappere poging maar Wolfhart was uiteindleijk toch verloren. En hij zag er niet al te best uit, maar de prioriteit was om eerst Rohadja terug in orde te krijgen, want nu zou ze moeten vechten tegen de zwarte ridder. Wolfhart werd ergens vergeten op een kar gesmeten.

Rohadja vroeg aan me of ik dacht dat ze kon winnen. Ik vertelde haar eelrijk wat ik dacht, namelijk nee. Ze bedankte me cynisch en ging op weg. Ik zuchtte. De reden waarom ik nee zei was omdat zij vele te eelrijk vocht, terwijl het die bruut niet kon schelen hoeveel strafpunten hij zou krijgen. Hij had al iemand vermoord, en ik geloofde er niet veel van dat dit een ongeluk was geweest. Rohadja was trouwens nog herstellende. Ik vroeg me af wat haar bezielde om mee te doen in de eerste plaats. Dit leek me namelijk niet gebruikelijk. En zo begon het gevecht. Arme Rohadja had geen schijn vn kans. De zwarte ridder maakte gehakt van haar. Zelfs toen ze op de grond lag, bleef hij doorslaan. Hij kreeg ontzettend veel strafpunten tegekend, en toch bleef hij verder doen. Ik wachte tot iemand hem zou stoppen door te zeggen dat hij had gewonnen, zodat ik haar kon gaan helpen, maar dat gebeurde niet. Uiteindleijk stopte hij zelf, en wandelde weg. Hij jad Rohadja nog nauwelijks in leven gelaten. Alle helers renden naar haar toe.

Soms vraag ik me af of ze een doodswens heeft. Ze doe niet anders dan gewond of ziek in haar bed liggen. En dit voorval zou ook geen uitzondering geven. Rohadja werd naar het paleis gebracht. En de zwarte ridder... die had zijn zegen. Ik ging maar mee met rohadja, voordat er weer iets perongeluks zou gebeuren. Iets watt ze niet konden voorzien... ja ja. Dextrot was het veld op komen lopen, maar was niet naar Rohadja komen kijken. Hij leek er niet eens om te geven of ze nog leefde of niet. Ik keek niet naar wat hij wel deed en ging verder mee.

XI Operatie regenboog

Ik had Rohadja een beetje geholpen toen ik bedacht dat ik nog ergens gevraagd was. Het was nu bijna middernacht. Rohadja was buiten levensgevaar. Ik ging het paleis uit en kreeg nog net van een soldaat te horen dat Thenaka was komen zeggen dat het hem speet. Ik zuchtte terwijl ik probeerde te bedenken wat hij nu weer van plan was. Die jongen kon geen wee zonder iemand de keel over te snijden. Nu ja, de ridder was vast bij hem, en die hield van de wet. Dat hij maar een keertje op Thenaka zou babysitten.

Ik ging naar de afgesproken plek, en vond daar niet enkel Tsa-priesters en kinderen, maar ook Phex-priesters. Het plan werd uitgelegd. De kinderen zouden de soldaten afleiden door herhaaldelijk te vallen, te huilen, op te staan, en terug te komen, en ze zo in de war brengen. De Phex-priesters zouden de deuren van de herbergen open maken zodat we daar binnen ook konden werken. De rest zou muren beginnen schilderen, langs binnen en langs buiten, verfbalonnen laten vallen die gigantische plassen kleur zouden veroorzaken. Op een gegeven moment hebben we zelfs op het standbeeld van keizer Hal een snorretje getekend. En de soldaten hadden er totaal geen erg in. Soms kregen we hulp van binnenaf. Ik zag dat de Phex-priesters bepaalde dingen meenamen die hun niet toebehoorden, maar ik wist dat ze er iets goeds mee zouden doen. Ik ging verder met wat mij was gevraagd. Ik had er wel plezier in.

Toen we de volgende dag wakker werden zagen we het resultaat van onze strijd pas echt goed. Overal zag men random kleurtjes, en sommige soldaten leken zeer verdwaasd over hoe dit ooit had kunnen gebeuren. Ik ging het ze niet vertellen. Heheh. Hoe dan ook, het was tijd voor een ander deel van het toernooi. Ze gingen om ter beste paarden mennen of zoiets. Het hield in ieder geval geen vechten in dus wou ik wel gan kijken. Zeker omdat plotseling Wolfyn, samen met Thenaka mee zou doen. Ik wist nog steeds niet waarom Thenaka me had laten weten dat het hem “speet”. Ik had niet bepaald iets gemerkt.

XII Vreemde praktijken

De race begon. Ik begreep er niet veel van, eerlijk gezegd. Iedereen bleef maar van strook wisselen, kriskras door elkaar heen. Plotseling gebeurde er ook een onfortuinlijk ongeval waarbij er iemand werd overeden! Diegene die hem had overeden, stopte en sprong van zijn kar om de gewonde te gaan helpen. Dat betekende dat er al twee uit de race waren. Een andere werd er uit gegooid door de zwarte ridder. Het ging allemaal heel snel en plotseling waren er nog maar 3 deelnemers over. Ze hadden allemaal zoiezo een prijs... als ze de eindstreep bereikten. Wolfyn en de zwarte ridder reden nek aan nek, tot uiteindelijk aan de eindstreep de winnaar bekend kon worden gemaakt. En dit was Wolfyn. Ik was gewoon blij dat de zwarte ridder dit keer ook niet had gewonnen. Zijn belofte om alles te winnen had hij uiteindelijk niet kunnen waarmaken. En met het aantal strafpunten dat hij had, zou hij misschien zelfs het toernooi zelf niet meer winnen. Ik hoopte zo van niet.

Wolfyn koos voor zijn prijs de gouden Aves-hoeven, waardoor het paard dat ermee is beslagen, twee keer zo snel kan lopen voor beperkte tijd. Triomfantelijk gaf Wolfyn mij er 4 van de 16. Zomaar. Ik was er zeer blij mee, en bedankte hem. Maar toen Thenaka er ook wou, vroeg Wolfyn er 75 dukaten voor. Haha, arme Thenaka. En hij had zelfs nog meegeholpen de zege te behalen. Nu ja, ik ging mijn lieve paard maar snel laten beslaan met de Aves-hoeven, waarna ik naar een banket zou gaan waar iedereen voor was uitgenodigd met uitzondering van de zwarte ridder, uiteraard. Ik onderzocht Rohadja ook nog eens die me zei dat als ik iets nodigs had om haar beter te maken, ik haar de onkosten wel mocht laten vergoeden. Ik vnd het een beetje zielig, en ging er maar niet op in. Als zij nu gewoon voorzichtiger zou zijn, en zichzelf niet nodeloos in het gevaar zou storten. Maar ja.

De groep en ik werden al snel aangesproken door een stel Boron-priesters die ons vertelden dat Celindiaal – de broer van Rohadja – verdwenen was. Nu ook dat weer. Dus gingen we maar zoeken met behulp van de vaardigheden van onze heks. Hij was niet ver weg, hij stond gewoon een beetje te kuieren aan een grafsteen op het kerkhof. Tsk, was de hele familie dan gek? Hij deed helemaal vreemd en zei de woorden: vergeten – herinneren – kwellen. Hij leek me zeer zwak van geest te zijn. Een klein beetje angstaanjagend.

KLAAR

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   ma okt 27, 2008 1:36 am

XIII Gouden Ranabo

Na deze wel vreemde ontmoeting gingen we veder met het feest dat op ons wachtte. Zowat iedereen die ik kende vanuit Gareth was aanwezig op het zoveelste feest, behalve uiteraard de zwarte ridder. Jast Gorsan kwam op een gegeven moment op ons af, net toen ik hapjes wou gaan halen. Hij zei dat hij in Elvina, in Noordmarken, een groter, beter en spectaculairder toernooi wou geven dan dat in Gareth en nodigde ons uit om te komen. Iedereen leek nog een beetje terughoudend voor de man, maar ik was dankbaar voor zijn hulp van eerder en zei dat we zeker zouden proberen te komen. Hij leek tevreden. Maar toen kwam Franka Galahan een beetje ruzie stoken. Ze zei dat ze in ons teleurgesteld was en dat ze ons beschouwde als vrienden maar dat we haar verraden hadden. Niemand van ons wist te begrijpen waar ze het over had tot ze zei dat we met de vijand praatte, en haar zo tegen de schenen hadden geschampt. Ik vond het een beetje stom. Die stomme vete tussen die twee had niets te maken met ons, en waarom zouden we een kant moeten kiezen? Dat ze die stomme ruzie tussen hun houden, en er geen andere mensen bij gaan betrekken. Jast Gorsan had er ook geen problemen mee dat we spraken met Franka.

Over Jast Gorsan gesproken, hij leek een beetje ontzet over Franka's woorden. Hij zei dat hij niet zo goed begreep waar ze het over had. Ik wist het wel, maar zei maar niets. Franka begon lelijke taal te gebruiken en Jast Gorsan te bedreigen. Die wees haar er heel vriendelijk, en zonder zelfs een greintje venijn of spoor van schijnheiligheid op, dat wat ze zei eigenlijk illegaal was en dat hij haar erop moest wijzen. Hij bedreigde haar zelfs niet met een demonstratieve, gerechtelijke reactie. Daarop wandelde ze kwaad op. Gorsan zei dat hij echt niet wist waarom ze zo deed. Toen wij hem erop wezen dat het kwam doordat hij op een cruciaal moment zijn leger niet had gestuurd, reageerde hij weer verbaasd. Hij zie dat het zijn schuld niet was. Hij zei dat hij een legertje had gestuurd maar dat die net in een sneeuwlawine waren terecht gekomen, en daardoor een dag te laat kwamen. Hij zou de volgende keer izjn cavalerie sturen zodat die zeker op tijd zouden zijn. Hij leek zeer oprecht te zijn. Wie weet was het inderdaad allemaal een ongelukkige samenloop van onvoorziene omstandigheden. Maar dat hij zei dat Franka's leger toen alle roem en glorie kreeg en daarvoor blij moest zijn, vond ik hem er weer een beetje te ver over gaan. Het zal vast wel aan mij liggen... Maar toen ging ook jast Gorsan weg. Slaapjes doen.

En net toen hij weg ging, kwam Grifpurga uit de schaduwen geslopen om de heks weer een beetje te komen bedreigen. De gluiperd. Thenaka dreigde ermeer om Jast Gorsan terug te halen, en als een geslagen hondje droop de banstraler terug af naar zijn mandje. Net goed. En toen kwam er nog een praios-geweide op ons af. Tegelijkertijd kwam er een vrouw naar mij die me om hulp vroeg. Ze wou me apart spreken dus volgde ik haar eventjes, terwijl de rest van de groep zich bezig hield met de, jawel, zwarte Praios-priester. De vrouw zei dat ze een probleemje had. Ze wou graag een kind maar sloeg er niet in om er één te krijgen. Ik kon jammer genoeg niet veel doen. Ik kon haar enkel vertellen welke kruiden ik dacht dat zouden helpen. Ze bedankte me en zei dat haar man blij zou zijn met het advies. Ze vroeg of ze ervoor moest betalen maar dat sloeg ik natuurlijk af. Ze zei dat ze iets zou doneren aan de Tsa-kerk. Dat mocht natuurlijk altijd. Ik ging terug naar de groep die ondertussen aan een tafel met eten stond.

De Praios-geweide vroeg me waar ik vandaan kwam. Toen ik hem vertelde dat ik van het Cyclopeneiland kwam, zei hij dat je nergens betere vis kon krijgen. Ik vond het grappige commentaar, des te meer omdat ik geen vis lust. Hij was zeer geïnteresseerd in Thenaka en zijn herkomst. Zijn gedachten dreven hem zelfs zo ver om een verhaal te vertellen. Nu ja, hij was van plan het te vertellen toen de heks plotseling heen en weer begon te lopen en raar begon te doen met haar slang. De praiosgeweide vroeg me of ze dat wel vaker deed. Ik antwoordde dat ik het niet wist. Hoe kon ik ook, ik kende haaar nog maar pas. Toen deed Wolfyn ook al zo raar. Hij liet het plotseling heel hard waaien waardoor hij een beetje veel aandacht trok. Ik vroeg hem wat hij aan het doen was, en hij zei dat hij problemen had met zijn magie. Thenaka vroeg heel rechtuit aan de Praios-priester waarom de magie werd onderdrukt. Die zei dat het misschien kwam door zijn karmale aanwezigheid. Thenaka wees hem erop dat dat probleem niet voorkwam bij mij, en de geweide zei doodleuk dat ik waarschijnlijk niet zo hard geloofde in de goden als hij deed. Ik was een beetje op mijn tenen getrapt maar dacht dat het wijzer was om niets te zeggen, voor ik ergens in een cel werd gegooid.

Na deze vreemde ontdekking begon de priester eindelijk aan het verhaal dat hij zo graag wou vertellen. Het ging over een goudgeschubde ranabo, wiens schubben gouden zonnestralen reflecteerden iedere keer dat hij op de wind reed. Op een dag sprak er een stem tegen hem. Onder hem lag het land Onbayo. Hij zou erheen moeten gaan om de mensen die er woonden te beletten domme en boze dingen te doen. De gouden Ranabo deed dit. Hij ging bij de mensen wonen. Het verhaal begon een beetje te vervelen en ik verloor mijn concentratie. Een paar andere aanwezigen trokken mijn aandacht. Toen verder werd verteld dat de gouden ranabo gestraft werd om de één of andere reden ging mijn aandacht terug naar de priester. De ranabo moest nu in de gedaante van een mens blijven totdat hij zijn straf had voltooid, wat hem tot op de dag van vandaag nog steeds niet lukte. Het eerste dat ik dacht was, dat als Praios, over wie het verhaal duidelijk ging, zijn eigen dochter zo lang strafte, voor een dom ongelukje, dan zag het er niet goed uit voor de ranabo. Na dit verhaal vroeg de priester aan mij of ik niet nog een verhaal kende. Tuurlijk deed ik dat, maar het eerste had al lang genoeg geduurd, en ik had zeker geen zin in een tweede, ook al zou ik het zelf vertellen. Ik denk ook dat de rest van de groep het liever zo had. De Praios-priester besloot om maar te gaan slapen omdat hij zich niet zo goed voelde. Ik vond het een goed idee. Ik had ook mijn slaap nodig, en ging slapen in de herberg, samen met de heks en Thenaka.

XIV Een oude vijand

De volgende dag zou het toernooi verder gaan. Het laatste onderdeel was aan de beurt, namelijk de Boehoert. Het leek me wel iets leuks. Je probeerde enkel de veren van de tegenpartij van hun hoofd te slaan, terwijl je je eigen veer trachtte te behouden. Het leek me nog wel iets leuks, en omdat die arme Wolfhart ziek in bed lag, besloot ik om in zijn plaats mee te doen. Zo gezegd, zo gedaan. Wolfyn stond aan de zijlijnen voor als er heling nodig zou zijn. Ik kreeg een roze pluim om te dragen. Misschien opvallend, maar ach, dat maakte het leuker. Zoals ik had gedacht was het best wel leuk. Ik reed cirkeltjes terwijl de rest elkaar uit probeerde te schakelen. Op een gegeven moment wierp ik Thenaka mijn wapen toe, dat ik toch niet gebruikte. Hij was het zijne namelijk kwijtgeraakt. Ik ontweek de occasionele slag naar mijn eigen veertje, en wekte een beetje frustratie op bij diegenen die faalden. En uiteindleijk stonden we nog met 5 op het veld. Franka Galahan, de zwarte ridder, Thenaka, ik en nog iemand die ik me niet goed kan herinneren. Thenaka riep plotseling naar Franka dat ik iets gemeens over haar had gezegd, waarop ze op me af kwam. Verontwaardigd draaide ik mijn paard om en rende weg van Franka. Ik slaagde er niet zo goed in om dat te doen, maar toch slaagde de arme vrouw er niet in om me uit te schakelen.

Na een tijdje was Thenaka er duidelijk in geslaagd om zijn twee tegenstanders, en ja, ook de zwarte ridder, uit te schakelen. Ik heb niet gezien hoe, omdat ik zelf een beetje bezig was, tot Thenaka me kwam verlossen. Franka dacht waarschijnlijk dat ze later wel met me af kon rekenen, en positioneerde zichzelf tegenover Thenaka die uiteraard een grotere bedreiging was dan ikzelf. Ik plaatste mezelf achter Franka. Goed, ik was er niet goed in, maar ik kon toch proberen om een beetje te helpen. Het was maar een veertje. Thenaka sloeg er een paar keer naar, en ontweek een paar slagen naar zijn eigen veertje terwijl ik een beetje porde naar het doelwit. Het probeerde te raken, en steeds weer faalde. Op een gegeven moment echter, had ik een ingeving, een soort van verlichting zeg maar, en ik sloeg erin om met een meesterlijke slag – al zeg ik het zelf – het pluimpje van Franka af te slaan. Iedereen leek stomverbaasd, inclusief ik, maar hey, we hadden toch gewonnen. En zonder Thenaka was het zoiezo niet gelukt. Hij had haar afgeleid. Zo eindigde ik als tweede in de boehoert. Ik had gelijk. Het was leuk geweest.

Ik ging onmiddelijk naar het paleis zodat ik Rohadja de rest van mijn schuld kon terugbetalen. Ik had de lening uiteindelijk helemaal niet nodig gehad, en was blij dat ik niet meer in de schulden zou staan van de toekomstige keizerin, en de huidige koningin. De soldaten stopten me en vroegen me wat ik kwam doen. Toen ik het uitlegde, zeiden ze dat ik het geld wel aan hun kon geven, zodat zij het aan Rohadja konden overhandigen. Dat zag ik toch net niet zitten, en drong aan. Eén van de soldaten ging een tijdje weg en kwam na een paar minuten terug met de boodschap dat Rohadja me kon ontvangen. Ik ging naar haar kamer en ging naar binnen. Ze zat op haar bed. Ik vroeg hoe het met haar ging, maar voordat ik antwoord had gekregen, hoorde ik geluid komen uit de kast. Rohadja zei dat het goed ging met haar. Het ging beter na een paar dagen rust. Ik wandelde naar de kast, en ze werd nerveus. Ze vroeg wat ik kwam doen, en antwoordde haar eigen vraag. Ze zei dat ze klaar was om het geld te ontvangen. Ik deed alsof ik dat nu helemaal vergeten was en gaf haar het geld terug waarna ik vliegensvlug terug naar de kast ging en de deur open deed.

Van alles wat ik had verwachr was het niet dit. Er zaten twee vrouwen in de kast opgesloten, gekneveld en alles. Eén van hen had een jurk vast. Ik keek half geamuseerd naar rohadja. Ik was zeer benieuwd om de uitleg te horen. Rohadja zei dat ze haar een jurk wouden aandoen. En zij wou dat uiteraard niet. Ze wou zoals een echte krijgster gekleed gaan, met maliën en wat-nog-allemaal. Ze zag helemaal op tegen de korset die ze moest dragen. Ik verwijderde de knevel van één van de vrouwen, die onmiddelijk Rohadja aansprak, en zei dat ze de jurk aan mest doen, omdat het zo hoorde en blablabla. Ik deed de kastdeur terug dicht. Ik vroeg haar om de twee vrouwen er niet te lang in te laten zitten. Rohadja verzekerde me ervan dat ze ze diezelfde avond nog zou vrijlaten. Geamuseerd ging ik terug weg. Die kinderlijke schelmenstreken toch.

Toen ik terug in de herberg kwam, was Wolfyn een beetje gepanikeerd. Hij zei dat we mee moesten komen naar het dansgordijn omdat een vreemde vrouw hem da had gezegd. Ja..., en dan noemen ze mij naief. Wolfyn was echter niet van het idee af te slaan, en uiteindleijk gaf ik net zoals de rest toe. Zo ginge we te paard naar het dansgordijn, en liepen daarbij niet verloren, gezegend zij Tsa. Het zag eruit als een zeer gure buurt. Ik wou eigenlijk niet binnen in het afgeleefde gebouw, dus was ik blij toen Thenaka zei dat er iemand bij de paarden moest blijven. Ik zei dat ik dat wel zou doen. Ze maakten geen bezwaar. Ik vond het een beetje vreemd, want ik als Tsa-priesteres zou niet veel kunnen doen als er inderdaad iemand die lieve paardjes zou willen komen stelen, maar ze hadden er blijkbaar wel vertrouwen in en gingen naar binnen.

Het duurde lang. Op een gegeven moment kwamen er mensen naar buiten gelopen, een beetje in paniek, leek me. Misschien waren ze geschrokken van Thenaka of zoiets. Het zou niet de eerste keer zijn geweest. Ik bleef nog steeds wachten, nog steeds een lange tijd, totdat iedereeen terug nara buiten kwam. Ze leken enigszins blij te zijn om terug buiten te zijn. Ik vroeg wat er was gebeurd, wat er nu zo belangrijk was geweest, en Thenaka vertelde me doodleuk dat Ferdok terug was. Ik was een beetje ontzet. Thenaka koesterde altijd wraakgevoelend tegen iedereen die hij tegen kwam, of zo leek het toch, maar Ferdok liet hij eventjes, braafjes lopen. Toen ik een verklaring wou, reageerde hij nors, en begreep ik dat ik er niet veel aan hebben, dus steeg ik op mijn paard, en reed naar de Praios-tempel. Daar zouden ze wel weten wat ze moesten doen met dit soort rattenplaag.

Eenmaal aangekomen, ging ik de tempel binnen. Een priester die er rondliep leek zeer verbaasd om mij er te zien, als Tsa-gewijde. Ik legde hem de situatie uit, en hij schrok onmiddelijk uit zijn verbazing. Hij zei dat ik moest wachtten en spurtte weg. Even later kwam hij terug met een klein leger van Praios-priesters, met banstralers. Ze vroegen aan me of ik mee zou gaan. Natuurlijk zou ik meegaan. Dus kreeg ik een persoonlijke beschermer mee. Een jonge knaap van 18, die Prayota heette. Ik sprong terg op mijn paard zoals de andere priesters deden, en reed samen met hen terug naar de plek waar Thenaka, ferdok had herkend. Het dansgordijn was al afgezet, en omsingeld. Ze werkten hier wel heel snel. Een paar Praios-priesters gingen naar binnen, en ik ging mee. Een paar kropen er onder een gordijn door, maar ik vond het er een beetje gevaarlijk uitzien dus ging ik ergens anders zoeken. Plotseling hoorde ik geschreeuw en geknal. De plek achter het gordijn, waar ik gelukkig niet in was gekropen, was in brand gevlogen. Ik vluchtte snel naar buiten, toen er plotseling een man tegen me opbotste. Ik kon zijn gezicht niet zien dus probeerde zijn mouw vast te grijpen. Hij glipte echter weg. Ik rende achter hem aan toen ik doorhad dat hij de vuurzee terug in liep. Ik wou hem achterna gaan, maar toen ik eenmaal terug binnen stond, en overal vuur zag, zonk de moed me in de schoenen. Ik ging terug naar buiten en zag dat er een papiertje was weggemoffeld in mijn gewaad. Nieuwgierig opende ik het briefje. Daarin stond: verraadster, blijf van mijn dochter af. Ik had geen idee wat het kon betekenen.

De hele situatie was veranderd in een gigantische chaos. Ik was een beetje bang dat ze niets zouden vinden en dat ik de schuld zou krijgen van wat er was gebeurd. Ik hoopte dat ze niet zouden denken dat ik ze in de val had gelokt. Maar toen kwam er iemand naar buiten, die een gewaad vast had. Hij liet deze aan mij zien en vroeg me of ik het herkende. Het was overduidelijk het gewaad van een naamloze priester. Dat zouden ze zelf toch ook moeten zien? Ik zei dat het eruit zag alsof het van Ferdok was. Daar namen ze genoegen mee. Ik werd verteld dat er velen waren gestorven in de vuurzee, maar dat Ferdok er waarschijnlijk ook was ingebleven, en dat het gerecht had geschied. Ik hoopte alleen maar dat ze gelijk hadden. Die man zorgde voor veel te veel problemen. Het was spijtig voor al die priesters. Ze waren deze keer wel vriendelijk geweest voor mij, en ik voelde me schuldig dat ik ze erbij had gehaald. Ik had het niet moeten doen. Ze vroegen me nog of ze me ergens konden afzetten. Ik zei dat het niet nodig was en ging zelf terug.
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   di okt 28, 2008 3:58 pm

XV De zwarte ridder

Na al deze dramatiek werd het de hoogste tijd dat ik mij ging concentreren op wat ik nodig had voor diezelfde nacht. Om middernacht zou ik eindelijk krijgen waar ik zoveel moeite voor had gedaan. Dus, zo mooi gesplitst van de groep, ging ik naar een paar winkels om goederen te kopen. Ik kocht twee touwen van vijf meter, een grote lap leer van twee op twee meter, en een regenboogkleurige cape. Daarna ging ik ergens naartoe om de touwen in de lap te laten verwerken. Ik wou het zelf niet doen omdat ik er niet echt talent voor had. Ze zijden dat ik de lap de volgende morgend terug kon ophalen, maar na enig aandringen kon het ook nog diezelfde avond af zijn. Dankbaar ging ik weg, en kocht nog een paar (tien) verbanddoosjes, voor het geval dat. Ik kreeg er een elfde gratis bij.

Daarna besloot ik om eens te gaan kijken bij het standbeeld van keizer Hal. Toen ik meedeed aan operatie regenboog werd er een snorretje op zijn standbeeld getekend, en ik wou kijken of dit er nog opstond. Het was er inderdaad nog, maar er waren al arbeiders bezig met het verwijderen van dit snorretje. Heheh. Ik kon wedden dat het niet zo lang zou duren om het er terug op te tekenen als het voor hen duurde om het er af te krijgen. Maaar misschien was dat gewoon gemeen. Het toeval wou dat ik op datzelfde ogenblik de rest van de groep zag. Thenaka leek zwaargewond, en ze zagen er allemaal ronduit smerig uit. Ze roken naar een riool, om het zo te zeggen. Ik ging met hen mee naar de herberg. Thenaka vroeg me of ik hem wou helpen, maar ik dreg hem op zich eerst te wassen. Anders zou die lelijke beenwond wel eens kunnen ontsteken. Toen hij terug uit bad was, heelde ik hem inderdaad en zag dat er een vieze ziekte door zijn bloed raasde, dus ging ik naar de markt om belkalelkruid te halen, omdat ik dacht dat dit zou helpen. Toen ik eenmaal klaar was met het genezen van die arme Thenaka, was de rest al lang weg naar het feest. En ik moest mijn lap stof nog gaan ophalen! Dus sprong ik op mijn paard en ging snel naar de winkel. De lap was klaar. Ik nam hem mee en vertrok snel naar het paleis. Daar zag ik de rest lopen. Thenaka liep ergens een stukje verder. Ik gaf mijn paard de sporen en ging de groep achterna, waarna die halt hield om op Thenaka te wachten.

Wolfyn vertelde dat de Heraud plotseling vreemd begon te doen, en dat ze hem naar de Praios-tempel hebben moeten voeren. Daarom waren ze waarschijnlijk ook zo laat. Wolfyn vertelde wat de Heraud allemaal had gezegd, maar de woorden waren onsamenhangend en sloegen nergens op. Blijkbaar waren de Heraud zijn voeten ook verdwenen. Nu begon het vreemd te worden. Misschien had Wolfyn gewoon te veel gedronken, dus stelde ik voor om hier geen tijd meer te verspillen en gewoon naar het feest te gaan. Iedereen ging akkoord. Op het feest werden we aangekondigd. Ik als eerste werd aangekondigd met vijf keer trompetgeschal. Daarna was de rest aan de beurt. Eenmaal binnen, zag ik dat Rohadja toch haar jurk aan had. Mijn gedachten gingen naar de twee vrouwen en ik vroeg me eventjes af of ze nog steeds in de kast zaten opgesloten. Het duurde niet lang voordat Thenaka, ik en Franka, naar voren werden geroepen, om de prijs van de Boehoert in ontvangst te nemen. Ik voelde me er een beetje verloren als Tsa-priesteres, maar ik was zeer blij met de tweehonderd dukaten, die ik deze keer niet zou verspillen aan een alchemist. Die stomme drankjes vlogen er zeer snel door, en meestal niet eens op mezelf. En een bedankje verwachten was meestal te veel, dus kon ik het beter uitgeven aan... bepaalde... benodigdheden, heheh. Maar goed. Thenaka kreeg zijn flesje, dat hij in één teug uitdronk, en waarvan hij zeven permanente levensenergie bijkreeg. Goed voor hem. Hij kon het goed gebruiken. En daarna kreeg onze hele groep nog iets speciaals. We kregen allemaal een drankje met een verdachte rode vloeistof daarin. Het was blijkbaar een drankje dat de zintuigen scherpte, dus dronk ik het, zoals iedereen op. Ik moet toegeven, dat het niet slecht was.

Het was toen dat de deuren open vlogen, en de zwarte ridder naar binnen dreunde. Thenaka sprong al onmiddelijk recht, net zoals vele anderen. Dextrot Nimrod zat gelukkig vlakbij Rohadja. De man in het zwarte harnas, sloeg zijn wapen neer op een tafel en sloeg die daarbij doormidden. Hij liet het wapen achter en liep nog steeds naar voren. Hij zei dat hij in dienst was van Galotta en eiste een audiëntie met de keizerin. Rohadja zei dat de mensen in de kamer hem moesten laten spreken. Ze richtte zich tot hem en zei dat als hij iets te vertellen had, hij zijn helm moest oplichtten en spreken. Als hij dat niet had, moest hij zijn helm oplichten en eten. Ik kon niet geloven dat de brutale man luisterde, en zijn helm afzette. De hele zaal was verstomd met verbazing. Ik kende de man niet. Hij zag er alleeen vreselijk oud uit voor een strijder. Toen ik naar Thenaka en Wolfyn keek, besefte ik dat ik niet de enige was die de man niet herkende. Blijkbaar heette hij Udalbert, en was hij de vorige hoofdmaarschalk. Hij vroeg aan Rohadja om mee terug te gaan met hem. Ik wou voorkomen dat de zwarte ridder, plotseling naar zijn wapen zou stormen en aanvallen, dus nam ik het zware ding vast, en sleepte het naar buiten om in een diepe kuil te begraven. Dit duurde een tijdje, en ik hoorde plotseling woedend geschreeuw van binnen komen. Ik was bijna klaar met de kuil. Ik vroeg me af wat er gebeurd was.

XVI Het riool

Wolfyn kwam me halen en zei dat Dextrot ons allemaal wou zien. Ik ging mee, een beetje nieuwsgierig voor wat er was gebeurd. Wolfyn zag er in ieder geval niet blij uit. Eenmaal daar, vroeg ik wat er aan de hand was, en waar Thenaka was. Wolfyn zei dat Thenaka, de zwarte ridder had gedood en dat hij daarvoor in de cel was gegooid. Hij zou de volgende dag ter dood worden veroordeeld. Ik ging zitten in de kamer, waar een grote zwarte bol stond. Dextrot begon zijn uitleg. Ik luisterde maar met een half oor. Ik keek toe hoe Wolfyn en de heks gehoorzaam knikten en vroeg me af hoe ze daarin slaagden, met de wetenschap dat wat ze ook zouden doen, het uiteindleijk niets zou betekenen als ze iets misdeden. Vriend van het keizerrijk of niet, ze zouden toch ter dood worden veroordeeld, uiteindelijk. Ik vroeg me ook af waarom ze zo weinig interesse leken te hebben in Thenaka. Ik luisterde niet eens mee rmet een half oor. Ik zou toch niet helpen. Mijn hulp – hoe miniem en onbetekend ook - waren ze kwijtgespeeld met hun verraad.

Plotseling kreeg ik een brief onder mijn neus geschoven. Blijkbaar was ik zonder dat ik zelfs mijn toestemming moest geven, plotseling lid van de KGI. Dat zei de brief toch. Ging dat niet wat ver? Ik zou de situatie van een Tsa-priesteres in de KGI grappig hebben gevonden als de situatie niet zo bedroevend was. Ik vertelde Dextrot dat ik het niet wilde hebben. Dat als ze nog iets verwachtten van mij, ze Thenaka – die immers zoals altijd enkel handelde uit instinct – nog een kans geven, zoals hij zeker weten had verdiend. De keizerin weigerde. Ze zij dat ze het jammer vond – wat ik sterk betwijfelde – maar dat het moest. De enige reden die ik uit de uitleg kon vinden was dat het ging om haar eer. Ze daalde sterk in mijn achting. En toch, wou ik nog één dingetje proberen. Ik vroeg of ik niet een deel van de straf op mij kon nemen, zodat Thenaka niet zou worden vermoord. De keizerin deed haar mond al open om te weigeren, maar Dextrot reageerde vliegensvlug door te zeggen dat hij dat een goed idee vond. Ik was al opgelucht dat ze het voorstel in acht namen. Dextrot leek zeer opgetogen te zijn. Uiteindelijk gingen ze akkoord. Thenaka zou de doodstraf niet ondergaan. Hij zou de scharlaken dans moeten dansen, en daarna, verbannen worden. En ik zou mee moeten dansen. Misschien verbeelde ik het me, maar dextrot leek te knipogen naar mij. Ik moest er bijna om lachen. Wolfyn echter, stuurde mij een wel zeer duistere blik. Ach, alsof dat mij wat kon schelen. De straf zou de volgende dag plaatshebben. Ik vond het niet erg. Hoe vlugger hoe beter. Maar ik moest nog één dingetje doen.

Om middernacht, ging ik de riolen in. Ik volgde de route waar ik al vertrouwd mee was, en stond uiteindleijk voor de deur van de kamer waar ik in moest. Maar toen ik de deur opendeed, zag ik alleen maar lijken. Lijken van de mensen waarmee ik handel had gedreven. En het waren er veel. Ik vroeg me af wat er gebeurd kon zijn. Ik zag dat er ook een kist in de kamer stond. Daarin zat waaarschijnlijk hetgene ik zocht. Tragisch. Ze waren e rin geslaagd om dat ding te pakken te krijgen, en waren in een dom riool aan hun einde gekomen. Ik wou kijken of er iemand de sletel had, maar daar was ik toch een beetje te bang voor. Ik wou op dat moment dat er iemand anders bij was. Ik probeerde de poten van een stoel te breken, maar slaagde er niet in. Ik raapte een steen op om de kist open te breken en begon op de kist te slaan, toen er plotseling iemand op mijn scouder tikte. Ik draaide me om, en zag iemand die ik niet kende. Hij vroeg me wat ik hier kwam doen. Ik legde hem de situatie uit. Hij was niet van plan om mij te laten gaan, en wou me doden. Erger nog, de lijken die om me heen lagen begonnen te bewegen! Hij vroeg me of ik nog een laatste gebedje wou doen. Ik lachtte inwendig. Ik deed wat hij had gevraagd en gebruikte het wonder “Aura van de regenboog”. De lijken die dichterbij hadden willen komen werden teruggedreven.

Het was vreemd dat de man, die duidelijk nog in leven was, samenwerkte met de zombies, of nog waarschijnlijker, ze controleerde. Ik wou weg, maar ik moest hebben waar ik voor gekomen was. Ik zag dat één van de zombies een sleutel had, en griste die van het trage lijk weg. Ik ontweek een paar slagen, die de levende ziel nog naar me gooide, en deed de kist open. Het ding dat erin zat, was in een doek gewikkeld. Ik tilde het op, verbaasd dat ik daarin slaagde, en rende weg van de lelijke, krioelende massa, het riool uit. Terug boven gekomen, was ik zeer opgelucht. Ik gebruikte de lap leer om mijn nieuwste aanwinst in te leggen en bond die met de touwen, stevig op mijn rug. Ik hing mijn cape erover, en ging terug naar de herberg, waar het niet lang duurde voor ik in slaap was gevallen.

XVII De scharlaken dans

De volgende dag, kwam Dextrot me halen. De wel zeer vreemde man begon plotseling te verkondigen dat hij me een mooie vrouw vond, en bood me een ring aan. Als ik niet beter wist, zou ik nog kunnen denken dat hij iets van plan was. Ik deed de ring aan. Dextrot zei dat het tijd was om te gaan. Ik knikte en stopte mijn bedekte aanwinst, snel in de kast, waarna ik deze op slot deed. Dextrot raadde me echter aan om beneden een kluis te huren. Hij wist die dingen nu eenmaal beter dan ik, en dus luisterde ik naar zijn raad. Ik huurde snel een kluisje, verborg de sleutel naastt mijn amulet, en volgde Dextrot naar buiten. Daar zag ik Thenaka, die me nors vroeg wat ik kwam doen. Hij veranderde ook nooit. Ik zei hem gewoon dat ik stout was geweest, en daar reageerde hij niet meer op. Dextrot zei nog dat het hem speet. Ik kon hem niets kwalijk nemen. Dit was immers niet geweest wat hij wilde. Ik was al zeer dankbaar dat hij de keizerin had overtuigd om mijn wensen goed te keuren. Ik zie dat ik het hem vergaf waarna mannen me met scherpe stokken in mijn rug begonnen te prikken. Ik keek ze nors aan. Het was nergens voor nodig.

Thenaka werd nog ingezeept met een rode soort shampoo, waarvan hij duidelijk pijn had. Op de gloeiende steen voor ons werd water gegoten dat er zeer snel af siste. Daarna werden wij erop geduwd. Het was vreemd, maar ik voelde niets. Ik zag dat Thenaka begon rond te springen en ik volgde zijn voorbeeld. Ik stak een dramatische vertoning af van hoeveel pijn dit wel niet deed, en vroeg me tegelijkertijd af, dat hoewel het inderdaad geen pijn deed, of mijn voetzolen dit wel zouden overleven. Misschien was het ook geen goed idee geweest om me te midden van het theatrale, op mijn knieën te laten vallen. Maar zo dansten we de scharlaken dans.

KLAAR

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   do nov 13, 2008 6:58 pm

X? Het Feest (do-over)

De zwarte ridder was komen binnenstormen met veel lawaai. Hij had zijn wapen zo heldhaftig op de tafel achtergelaten, dus besloot ik het eventjes te gaan begraven in de tuin. Toen ik daarvan terugkwam, merkte ik dat de zwarte ridder gevangen was genomen, na verschillende bedreigingen te hebben geuit. De stemming leek wel zeer bedrukt. Maar het feest ging gewoon door. En de zangwedstrijd ook. Ik had me daarvoor ingeschreven. Veel tegenstand was er eigenlijk niet, en ik slaagde er in om de wedstrijd te winnen. De prijs was 100 dukaten. Daarna kwam Franka Galahan met me spreken. Ze was er niet veel origineler op geworden. Het ging alweer over Jast Gorsan en wat hij had gedaan – of niet gedaan – en waarom wij niet met hem zouden mogen optrekken, dat we haar hadden verraden en nog meer van dat soort dingen. Ze zei dat Ayla me er ook al voor gewaarschuwd had, maar dat we niet luisterden.

Maar hoe ik het me herinner was het Jast Gorsan die de heks van onze groep hielp, tegen de banstralers, en niet Ayla van schattengrond. Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen haar, maar zonder Jast Gorsan... wie weet wat er was gebeurd. Daarop zei Franka dat Jast Gorsan nooit iets deed zonder daar iets voor terug te willen. Hij had nog niets gevraagd, maar als hij ooit mijn hulp nodig had, dan zou ik hem vast wel willne helpen, zoals ik Franka ook zou helpen als ze erom vroeg. Maar hun ruzie op mij opdringen vond ik nog steeds niet sympathiek dus was ik blij toen ze uiteindleijk terug vertrok. Ze was wel een zeer verbitterde vrouw.

Toen werd alles stil. Rohadja – die haar kleed aanhad – zou de openingsdans dansen. Ze kwam de vloer op, liep naar de ridder, knipoogde naar hem, en vroeg daarna Eslam van Eslamvat ten dans. Haha. En zo dansten ze de openingsdans. Niet lang daarna vroeg Rondrigan mij ten dans. Ach ja, waarom niet. En zo duurde het feest tot iedereen moe begon te worden en wou gaan slapen, zodat ik kon gaan doen wat ik moest doen.

- insert riool gedeelte -

XVII De bard

Toen ik terugkwam van mijn nachtelijke escapade, merkte ik dat er een vrouw bij onze groep zat. Een tovenares. Ze ging ons blijkbaar helpen om het riool uit te mesten. Nu ja, hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Ik dacht dat ik maar best kon vertellen wat ik daar beneden had gezien. Namelijk, eens tel ondoden, en één persoon in een zwarte cape. Iedereen wou natuurlijk onmiddelijk weten wat ik daar in het riool deed, maar ze onden d epot op als ze dachten dat ik het ze zou vertellen. Het zou niet de eerste keer zijn dat ze iets kapotmaken dat ik graag wil hebben, zelfs niet de tweede of de derde keer. Gemene Thenaka. Dus moesten ze het maar doen met de informatie die ik ze had gegeven. Ik moest ze leiden naar de plek waar ik deze wezens had gezien, en dat zou ik doen ook. Wolfjin merkte de bult op mijn rug natuurlijk op, en probeerde te voelen wat er onder mijn nieuwe regenboogkleurige cape zat, maar ik was te snel voor die ame tovenaar, en hij kon enkel blijven raden. We hadden een paar fakkels bij. Diegenen die niet te bezorgd waren over vechten, droegen er één. Ik liep een tijdje voorop tot we op de plek kwamen waar niets meer te vinden was, natuurlijk, behalve een lege kist. In die kist zat blijkbaar slijm. Waar dat vandaan kwam was voor mezelf ook een raadsel. Bah.

We gingen verder op zoek, maar ik liep niet meer voorop. Uiteindelijk liepen we voorbij een nis, waaruit geluid kwam. Ik stak mijn fakkel in de nis om te kijken wat het was, en stak de kleren in brand van een persoon die erin zat. Thenaka trok hem eruit, gooide hem op de grond, en hielp hem het vuur uit te maken. Eum... oops? Maar wat deed die kerel in een nis in het riool? Hij had een gitaar bij zich, en zag eruit als een zweverig type. Hij zei dat hij een bard was. Maar welke bard kwam er nu zingen in een riool? Hij vertelde dat hij ergens anders zou moeten gaaan zingen zijn, maar dat hij daar werd aangevallen en achtervolgd, en dat zijn enige uitweg het riool leek te zijn. Maar dat was een zeer slechte beslissing geweest. Arme bard. Hij sloot zich aan bij onze groep, om zich veiliger te voelen. Hij leek me wel een vrolijk type. Van mij mocht hij erbij. Hij heette Lyam.

En zo gingen we verder met een extra persoon in de groep. We kwamen aan op een open plek waar we een man in het zwart zagen staan. Thenaka stormde er al onbedachtzaam op af. Had hij dan niet door dat niet iedereen die zwart droeg noodzakelijk slecht was? Voor een tijdje had ik gedacht dat Thenaka gebeterd was, maar tegenwoordig slaat hij zijn belofte in de wind, negeert hij wat ik zeg, of komt in opstand, en hakt er maar op los. Ik vraag me af waarom hij terug vervalt in zijn oude gewoontes. Nou ja, hij vloog de man in het zwart aan, die luid protesteerde en vertelde dat hij niet slecht van aard, maar een Boronpriester was. Thenaka liet hem uiteraard gaan. De bard verkondigde wat een mooi verhaal dit zou worden. De Boronpriester vertelde dat hij de enige overlevende was van diegenen die hier beneden zaten. Hij had eigenhandig 6 zombies gedood maar het was hem toen te veel geworden, zei hij. We vertelden hem dat we daar waren voor hetzelfde doel en dat we zouden helpen. We lieten hem daar, zodat hij kon teruggaan, en gingen verder. We kwamen voorbij verschillende zalen waar we mensenstemmen hoorden. Een paar wouden door deze zalen gaan, maar uiteindleijk besloten we toch om rond te gaan.

Toen we aan een splitsing kwamen, sloop Thenaka een bepaalde gang in. Deze bleek uiteindelijk dood te lopen – vergeef me de ironie – en we gingen piepen in de andere gang. Het was donker en Thenaka kon een stuke vooruit lopen toen hij werd ontdekt en tegengehouden. De mensen daar vertelden ons om terug te keren, en dat ze ons niets zouden doen als we zouden luisteren, maar nee, Thenaka was weer veel te bloeddorstig en besloot in de aanval te gaan. Hij wou een soort van vloeistof over zijn zwaard smeren, en sneed zichzelf aan het zwaard. Het had zware gevolgen, die niet mooi waren om te zien. Hij had zichzelf blijkbaar vergiftigd. Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in, was het toch? Misschien zou dit hem tegenhouden om in het vervolg gemene dingen te plannen, als hij dit zou overleven natuurlijk. Ik merkte dat hij zich had vergiftigd met Tarantula-gif. Niet zo heel goed. Maar er was geen tijd om er iets tegen te doen. Nadat Thenaka ze had geprovoceerd, en de meeste anderen natuurlijk waren rechtgesprongen bij deze provocatie, begonnen de mannen in zwarte gewaden op ons af te komen. Natuurlijk. De bard was neergeslagen, en leek bewusteloos te zijn.

Ik besloot mijn laatste karmale energie te verspillen voor het redden van de groep. Ookal was dit dan hun eigen schuld. Nu ja, de bard had niets gedaan. Iemand nam hem op zijn schouders terwijl ik begon met een wonder te laten zien aan diegenen rondom mij. Ik moest enkel blijven zingen, en niemand zou ons willen aanvallen. We gingen weg. Ik weigerde te lopen, bang dat ik dat niet vol zou houden, en we probeerden de dichtsbijzijnde uitgang te localiseren. Uiteraard maakte ik veel lawaai, en kon iedereen ons horen, dus kwamen we onderweg nog meer mensen tegen. De groep raakte in paniek toen ze dichterbij kwamen, maar ik wist dat ze niets zouden kunnen doen, en ging gewoon verder. De rest had geen keuze en moest dicht bij mij blijven. Uiteindelijk slaagden we er wel in om uit het riool te ontsnappen, en ik stopte het wonder.

XVIII Thenaka's straf

De bard werd terug bij bewustzijn gebracht, en Thenaka... nu ja, ik probeerde hem een beetje te helpen met het gif, zo goed als ik kon. We wouden de autoriteiten gaan waarschuwen maar werden onderweg tegengehouden door een blokkade. Ze deden niets, ze stonden daaar maar, maar we konden niet door. De heks vloog weg, en nog steeds deden ze niets. In plaats van ons om te draaien en weg te gaan, moest Thenaka de groep weer gaan uitdagen. Misschien was hij wel gek geworden. Hij wist toch dat hij onmogelijk kon winnen, tegen zo'n grote groep! Ik hoorde niet goed wat ze tegen elkaar zeiden, maar toen de leider van de groep zijn kap liet zakken, werd Thenaka woedend en viel de man aan. De bard vond het nog steeds een goed verhaal, en begon warempel zijn gitaar te stemmen. Het gevecht was zeer oneven. Thenaka was duidelijk aan de verliezende hand, ookal deed de rest van de groep niets om zijn tegenstander te assisteren. En toen, viel Wolfjin, de tovenares die bij ons was, zomaar aan. Waarom wist ik niet.

Thenaka werd werkelijk in de pan gehakt. Ik vroeg me af of hij dit gevecht wel kon overleven. Ik kon niets doen. Ik wist niet wat ik zou moeten doen. Ik was volkomen machteloos. Misschien had ik het wonder iets langer moeten volhouden. Misschien had dat geholpen. Maar nu. Meer en meer mensen begonnen weg te lopen. Ik wist niet waarom. Misschien waren ze bang, nu ze zagen dat zelfs Thenaka niets kon uitrichten. Het gevecht was gedaan. Thenaka lag dood te bloeden op de grond, en was amper bij bewustzijn, toen de man zich met een gemene grens over hem boog. Hij zei hem dat hij zijn trots zou afnemen. Nieuwsgierig keken ik en de bard toe. Ik wist niet wat er zou gebeuren, en nog minder wat ik er tegen moest doen. En dat de bard zijn nek niet uitstak om een vreemde te redden, begreep ik nu ook wel. De ridder had het al geprobeerd, en lag al lang languit op de grond. Ik was me van zijn status niet erg bewust.

En toen, en het zag eruit alsof het allemaal heel traag gebeurde, hakte de man met een felle zwaai de linkerhand van Thenaka af. Thenaka viel bewusteloos op de grond neer, waarschijnlijk nog niet eens beseffend wat er net was gebeurd. En toen, niet op het nippertje, maar gewoon ronduit te laat, kwam Dextrot daar aangereden, samen met de heks. Slim van haar om versterkingen te gaan halen. Toch was het te laat. De groep die de weg had gebarricadeerd vluchtte weg. Dextrot vroeg wat er was gebeurd en ik legde het hem uit, hoe vermoeiend dat ook was. Daarna vroeg ik om een paard, legde Thenaka daarover, en ging met hem naar de Tsa-tempel, zo snel als ik kon. Ik vroeg ze daar om Thenaka ze helpen. Ze brachten hem weg en Tsalinde kwam naar mij. Ze vroeg me of het wel een goed idee was om Thenaka zijn hand terug te geven. Ze vroeg of ik voor hem kon instaan, dat hij niet meer zou moorden met die hand.

Ze has absoluut gelijk. Thenaka zou er niet om geven. En hij zou kunnen beloven wat hij wou, maar ik wist nu, dat hij die beloftes uiteindelijk toch weigerde na te komen. Hij zou enkel nog meer kwaad doen met dat hand. Het zou volstaan als hij gewoon uit levensgevaar was. Ik kon niet voor hem instaan. Ik wist waar hij toe in staat was. En het was zwaar werk voor een Tsa-priester om een ledemaat, zelfs gewoon een hand terug te geven. Neee, hij moest misschien eerst maar eens leren om het leven te respecteren. En misschien ooit, als hij het echt verdiende, zou ik misschien zelf in staat zijn om hem dat hand terug te geven. Dit was zijn straf. En hij had die eigenlijk rechtmatig verdient.

XIX Slechtgezind en op pad

De volgende morgen, toen Thenaka wakker werd, kwam ik zijn kamer binnen. Hij was razend, en wou zijn hand terug hebben. Ik zei dat dat niet zou gebeuren. We hadden een hele discussie tot hij uiteindelijk zweeg en ik besloot om weg te gaan. Het lef van sommige mensen! Al kon ik hem natuuurlijk ergens wel begrijpen. Hij had me inmiddels verteld dat het zijn vader was geweest die zijn hand had afgehakt. Dan is het normaal dat je daarna een beetje chagrijnig bent. Hij kon zijn rust nu wel gebruiken. Toen ik buiten de kamer kwam, stonde de heks daar, met een verzegeld papiertje, dat voor mij was bestemd. Nieuwsgierig als ik was, deed ik het onmiddelijk open. Er stond in “Dat komt ervan als je mij bedriegt. Dit is jouw schuld. Je hebt mijn dochter vermoord.” Gescholt staarde ik naar het papiertje. Wat had dat nu weer te betekenen. Ik had gedacht dat het eerste papiertje misschien als grap was bedoeld, maar nu ging het wat ver. En hoezo was dit mijn schuld? Ik kon er kop noch staart aan krijgen, dus moffelde ik het papiertje ver weg en besloot het raadsel voorlopig uit mijn hoofd te zetten.

Thenaka kwam zijn kamer uitgestormd en ik zag een andere Tsa-priester naar hem toe komen, hem vertellend dat hij nog moest rusten. Thenaka echter eiste zijn uitrusting etrug. De Tsa-priester hield vol dat hij eerst moest rusten en blokkeerde zijn pad. Thenaka duwde hem kalmpjes opzij en stapte uitdagend verder. Hij eiste nogmaals zijn uitrusting terug. Nu werd de Tsa-priester boos, en zei dat als hij dat terug wou, hij maar een papiertje moest gaan halen om offers terug te kunnen krijgen. Boos stormde Thenaka weg. Ik ging naar de rood aangelopen Tsa-priester en zei hem dat ik het niet erg zou vinden als Thenaka's uitrusting plotseling weg zou zijn. Hij zei dat hij er voor zou zorgen. Mooi zo.

En dan bedacht ik dat het eindleijk tijd was om mijn boogpees te gaan verkopen. Dat ding was nu al te lang mijn bezit geweest, en ik wou er vanaf. Ik ging naar de beste wapenwinkel, in de buurt van de herberg waar we verbleven. Ik vertelde de man dat de boogpees onbreekbaar was. Hij zei dat hij dat wel eens wou testen. Hij had een machientje dat de boogpees uit begon te rekken tot ik uiteindelijk een luide krak hoorde. Onthutst keek ik naar de machine die compleet kapot was. Ik verkocht de boogpees voor meer dan 100 dukaten – ik begon stilaan een fortuin op te bouwen – en vertelde de winkelier dat hij niets mocht verkopen aan Thenaka. Ik beschreef hem, en besloot dit in meerdere wapenwinkels te gaan doen. Uiteindelijk vertrokken we. Ik had nog een week willen blijven, maar dat kon niet. Ik kon al voorspellen dat ik niet veel ging kunnen doen nu ik geen karmale energie meer over had. Nu ja. Zo vertrokken we, nogmaals onze dood tegemoet. De tovenares waren we kwijt, die was terug naar huis, maar de bard bleef bij ons. Hij zei dat hij dacht dat hij mooie verhalen bij ons kon opdoen om later te vertellen.

Klaar

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!


Laatst aangepast door Dawn op di dec 09, 2008 11:48 pm; in totaal 1 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   ma nov 17, 2008 5:07 pm

XX Het vertrek

Thenaka wou zijn uitrusting terug. Hij wou weer bij Jast Gorsan gaan uithuilen en vroeg mij of ik niet mee ging, op een geniepige manier. Goed ja, ik was wel benieuwd wat hij ging zeggen, en wat voor blasfemische uitspraken hem deze keer zijn kop zouden kunnen kosten. De bard was de enige die niet meeging. Spijtig, want hij was wel een komische noot tussen al die verbitterde mensen. Zo kwamen we dus uiteindelijk aan bij Jast Gorsan. En Thenaka begon zijn verhaal over hoe de Tsa-priesters zijn rusting hadden gestolen en dit en dat... en dat hij die eigenlijk wel terug wou. Jast Gorsan vertelde hem dat hij een aanklacht kon inbrengen tegen de Tsa-kerk. Dat leek Thenaka wel een goed idee. Jast Gorsan waarschuwde dat hij zo de Tsa-kerk tenonder zou kunnen brengen, maar dat kon Thenaka duidelijk niets schelen. Jast Gorsan zei dat hij er eens over zou praten met zijn broer, maar dat we hem nu met rust moesten laten omdat hij zich klaar moest maken voor vertrek. Thenaka zou zich moeten doodschamen. Maar als hij hiermee door zou gaan, kon ik ook wel een paar verhalen over hem vertellen.

Maar goed, we moesten spullen gaan inslaan voordat we zouden vertrekken. Ik scheidde me van de groep die des te onaangenamer was geworden, en ging richting een winkel die etenswaren verkocht. Daar deed ik een rantsoen op voor ongeveer een week. Daarna besloot ik nog om naar de bib te gaan. Ik zocht dingen op over mijn nieuwste aanwinst. Toen ik daar genoeg over had geleerd, besloot ik ook nog om wat roskammen te gaan kopen voor mijn paard. En daarna ging ik naar de dichtsbijzijnde alchemist. Ze was een vrouw in een lang gewaad met een groen slangetje daarop. Ik vroeg haar of ze iets verkocht waardoor mijn gewaad permanent zou glinsteren. Een beetje tot mijn verbazing, deed ze dat inderdaad. Het kostte nagneoeg niets in vergelijking met mijn vorige aankopen bij een alchemist. Dat was ongeveer alles dat ik dacht nodig te hebben voor onderweg.

Ons eerste doel was om naar de lustriaat te zoeken, die voorop was gestuurd om bepaalde dingen te onderzoeken. Hij zou nu in Werheim moeten zijn, een stad die ik me maar al te goed herinner. Nadat we op pad waren gegaan, duurde het niet lang voordat we in een klein dorpje aankwamen. Daar zagen we verschillende kadavers van beesten op een grote hoop liggen. De lokale smid, vertelde me dat de dieren plotseling waren gestorven, en dat het een slecht voorteken was. Ze gingen de kadavers verbranden. Een klein meisje kwam aanlopen met een dood roodborstje in haar kleine handen. Het was waarlijk een droevig zicht. Ik hield een kleine grafrede, waar Thenaka me maar 15 minuten voor wilde geven.

We besloten gewoon door dit dorpje heen te trekken en nog een beetje verder te reizen. We hadden immers geen tijd voor kleine stops. We moesten zo lang als we konden, doorgaan. Onderweg kwamen we ook nog een herberg tegen waar we besloten te gaan slapen. Ik nam een kamer voor mij alleen. Ik had geen zin om bij die verbitterde, zwartgallige heerschappen te verblijven. Daarbij moest ik voorzichtig zijn. Ik moest namelijk iets vebrorgen houden. De bard wou voor zijn kamer en eten betalen door verhalen te vertellen, en liederen te zingen. De waard ging akkoord. Ikzelf moest niets betalen. Toch besloot de bard om met de drie anderen een vierpersoonskamer te nemen. Hij wou waarschijnlijk een beetje socialiseren. Ik kon alleen maar hopen dat ze hem tegen de volgende morgen niet gespiesd zouden hebben.

XXI Werheim

De volgende morgen bond ik mijn nieuwe bezit weer op mijn rug met behulp van de leren lap. Ik ging naar beneden en zag dat iedereen zowat klaar was. Dus vertrokken we redelijk vroeg. Maar niet voordat men me er op wou wijzen dat mijn gewaad mensen wel eens zouden kunnen laten zien dat we er zijn. Nu ja, ik was niet echt van plan om door donkere steegjes te sluipen, en zomaar mensen neer te steken, dus besteedde ik niet veel aandacht aan hun... behoeften. Ze konden vergeten dat ik me naar hun schikte maar zij niet naar mij. Ook al leek dat dom, een tovenaar die een harnas draagt noem ik ook niet zo bijster slim. Maar dat achterwege, vertrokken we naar Werheim.

Het was niet veel verandert. Sommige schilderingen waren verwijderd van de kale muren, maar lang niet allemaal. Ik zag wel dat er een herberg een andere naam had gekregen. Die heette nu “Lol en bier” Terwijl de rest zijn beklag ging doen, ging ik daar naar binnen. Daar waren verschillende soldaten trompet aan het spelen, aan het oefenen blijkbaar. Zodra ze mij zagen stopten ze met spelen. Ze kwamen van hun podium af en vroegen me hoe het ging. Ze vertelden me ook dat hun groep was uitgegroeid tot meer dan 100 mensen. Zij waren ook diegenen die verantwoordelijk waren geweest voor de tekeningen die er nog waren. Ze hadden ze willen bijhouden. Na dit korte gesprek liet ik ze maar verder oefenen en ging ik terug. Ik ontmoette de groep weer, en ze zeiden dat de Lustriaat al verder was getrokkenn. Dus moesten wij dat ook maar doen.

XXII Alleen met de Bard

We reden verder, naar de zwarte sikkel toe. En we kwamen een groep ruiters tegen. Een soort soldaten van Praios, zeiden ze. Ze vroegen wat we kwamen doen, en wie we waren, en toen zagen ze het zwaard van Thenaka. Ze vroegen waarom hij een moordenaarswapen droeg. Thenaka zei dat dat zijn manier was om de keizer te dienen. De term “moordenaarswapen” is toch maar iets abstract. Elk wapen dient om te moorden, toch? De soldaten zeiden dat ze Thenaka en de ridder wouden meenemen, om te onderzoeken of wat ze zeiden wel waar was. Wolfjin wouden ze ook maar meenemen. Dit enkel omdat hij een tovenaar was. En uiteraard moesten ze dan weer hun papiertje boven halen, ermee zwaaien om aan te tonen dat ze toch iets beter waren dan diegenen die voor ons stonden. En onmiddelijk beschuldigden ze Wolfjin van valsmunterij. De bard hield ondertussen wijselijk zijn mond. Van de groep leek hij de slimste van al. En Wolfjin maar klagen dat ik dom was omdat mijn gewaad glinstert. Het is hijzelf die zichzelf altijd nodeloos in gevaar brengt. En dat geldt ook voor Thenaka. Ze wouden niet worden meegenomen. De soldaten zeiden dat ze al een proces aan hun broek hadden. Ze zeiden dat het ze niet veel kon schelen, omdat zij gelijk hadden. Toen de soldaten verwittigden dat ze ook nog eens in opstand kwamen tegen hun meerdere, werden ze helemaal kwaad, ervan overtuigd dat zij hun meerder waren, en stoofden weg op hun paarden door middel van hun Aves-hoeven. Ze lieten mij, en de bard alleen achter. Het was spijtig dat het mij niet eens meer verbaasde.

Ik liet de soldaten toen ook mijn papier zien. Ja, Wolfjin had me al gezegd dat ik ook mijn mond moest opendoen, maar ik wou niet. Ik wou ze een lesje leren, en ze laten inzien dat ik niet simpelweg een gebruiksvoorwerp ben dat je gebruikt wanneer je het nodig hebt om dan weer weg te stoppen in je zadeltas en als onbelangrijk en nutteloos ziet. Maar nu ze weg waren, kon ik wel iets doen. Ik zei dat ik kon instaan voor de echtheid van het papier. De soldaten zeiden dat Thenaka en de rest toch enkele dingen hadden gedaan waardoor ze een proces hadden veroorzaakt. Ik kon enkel akkoord gaan. Het was immers hun eigen schuld. Het werd eens tijd dat ze werden gestraft voor hun hooghartigheid. Ze vertrokken weer, en ik was alleen met de bard. De arme jongen was amper buiten Gareth geweest, en hij zou alleen niet de weg vinden, en misschien opgegeten worden door wolven of zo. Zijn paard was ook het enige dat geen Aves-hoeven had, dus zou het een tijdje duren voordat we de groep hadden ingehaald. Zuchtend haalde ik mijn paard aan, en gebood de bard om mee te komen.

We reden zo snel we konden, de groep achterna. Het was een verloren zaak, tenzij ze vaker zouden stoppen dan wij, dus moesten we zo lang mogelijk doorrijden. Toen de nacht viel wou de bard nog doorrijden, maar ik raadde het hem af. Het was donker, en als we nu verder reden hadden we veel kans om verloren te rijden, en dan zou het nog langer duren voor we de rest hadden ingehaald. De bard ging dan toch maar akkoord. Ik had geen zin om de wacht te houden. Ik vond het nergens voor nodig, en zo gingen we maar slapen.

Toen we de volgende morgend wakker werden, hoorden we iets rommelen in de rantsoentas van de bard. Geschrokken draaide hij de tas om, waarop er een stinkdier uitviel. Geen goed nieuws. Hij strompelde achteruit, net als ik. Het stinkdier liet zijn vieze lucht vrij over de tas van de arme bard. Daarna liep het beest gelukkig weg. Ik verzekerde de bard,... lyam, dat ik genoeg rantsoen bijhad, en dat hij er ook wel van mocht eten. Maar er was geen tijd om onbedachtzaam rond te huppelen, dus trokken we verder. Ik hoopte stilletjes dat Thenaka zich zou overslapen. En toch, we reden nog een hele dag, zonder enig succes, toen het weer begon te schemeren. We kwamen aan in een klein dorpje, genaamd Vredewang. Lyam kreeg het aanbod om voor de stad te spelen. Dat wou ik hem nu ook niet ontzeggen, gewoon omdat de rest het zo nodig had gevonden om zonder ons weg te gaan, dus zei ik dat hij zijn gang kon gaan. Zijn buit was uiteindelijk niet zo groot, maar hij had het dorp blij gemaakt, en dat was ook al iets. Daarna reden we nog wat verder, zo lang we konden. En jawel, we zagn plotseling de groep in de verte rijden. Ik riep naar hun. Ze draaiden hun hoofd om, zagen ons heel duidelijk, en reden gewoon stapvoets verder. Geweldig, ze wouden niet eens even wachten. Onze paarden waren al doodop door hun toedoen. Hun begroeting was nonchalant en koud. Ik kon hun de hersens wel inslaan – vergeef me Tsa – maar besloot het niet te doen. We reden in stilte verder. Mijn opzet leek niet geslaagd te zijn. Nu ja, dan moesten ze het zelf maar weten. Tot mijn ontzetting, zag ik dat ze een paar mannen hadden meegenomen, en vastgebonden aan hun paarden. De ridder die ik steeds minder nobel begon te vinden, vond het grappig om af en toe een stevige ruk te geven aan het touw waarmee ze vastzaten. Maar uiteraard moest ik wee rmijn mond houden over dit onderwerp. Ik was er niet bij geweest, ik had geen recht van spreken.

XXIII Eén reis beëindigd

En toen kwamen we aan in Galisië. We moesten tol betalen. Nu ja, ik niet. Toen ze vroegen wat we kwamen doen, haalde Thenaka wederom zijn papiertje boven en zei dat hij dat voor zichzelf ging houden. Ja hoor, ga eventjes tegen iedereen duidelijk maken dat je in de geheime dienst zit. Ik zie helemaal niet hoe dat verkeerd zou kunnen gaan. Ze moesten ook hun tol niet betalen maar deden dit toch. Lyam echter niet. Die let goed op zijn geld. Ze gaven ook de mannen aan, die hun onderweg blijkbaar hadden willen beroven. We gingen naar de Rondra-tempel om daar te horen of ze de Lustriaat niet hadden gezien. Dat hadden ze wel, maar die was pas geleden alweer vertrokken. En dus vertrokken we weer nadat we eerst een nachtje hadden geslapen. Want in tegenstelling tot de rest hadden Lyam en ik maar weinig nachtrust gehad. Maar vlak voordat we naar de herberg gingen raakte ik in een gesprek verwikkeld met Wolfjin. Ik maakte hem duidelijk wat mijn bedoeling was geweest met mijn inactie van eerder. Ook vertelde ik hem dat het me irriteerde dat ze hun wapens trokken voor elk klein akkefietje dat ze tegenkwamen. Mensen bedreigen, zelfs mensen die ze al bewusteloos hadden geslagen eventjes vermoorden. Het was gewoon laf. Wolfjin op zijn beurt vertelde me dat dat nu eenmaal af en toe nodig was, en dat ik niet altijd zo negatief moest zijn over wat ze deden. Ik zei dat ze zichzelf nu eenmaal in dat soort situaties brachten. Er waren verschillende voorbeelden waarin ze gewoon haddden kunnen wegwandelen maar ervoor kozen om als eerste toe te steken, nu de vijand ze nog een kans gaf. En op dat punt wees Wolfjin me er op dat ik de groep veralgemeen, en dat als één iemand iets had gedaan, iedereen schuldig was, zogezegd. Dat was zo. Dat deed ik inderdaad. Ik nam mezelf voor dat niet meer te doen. En zo hadden we de dingen uitgepraat. We konden gaan slapen. De rest had zich al afgevraagd waar we waren gebleven.

En de volgende morgen gingen we weer verder, nog steeds op zoek naar die ene man. Ik begon te denken dat we hem nooit meer gingen inhalen. Maar de rest was koppig, en ik wou niet alleen achterblijven zonder enig ander doel. We reden tegen een vrij snel tempo, toen we plotseling rookpluimen zagen. Zwarte rook, duidelijk afkomstig van brand. Lyam zei dat rook ook van andere dingen afkomstig kon zijn, en dat we niet onmiddelijk het slechtste moesten denken. Die arme jongen was nog redelijk naief. Hij deed me denken aan mezelf, enkele jaartjes geleden. Nee, het was zoiezo een brand. En er waren vast mensen daar, die onze hulp nodig hadden, dus snelden ik, en ook de rest ernaartoe. Het was het stadje Rammelhout.

Er liepen mannen rond, die de mensen teisterden. Ik zag er ééntje een vrouw meesleuren aan haar haren. Wolfjin keek me veelbetekend aan. Ja, dit was inderdaad een situatie, waar ze hun wapens mochten trekken. Ik gaf mijn paard de sporen en toen ik voorbij de man reed, die de vrouw meeetrok, sprong ik op zijn rug, waardoor hij tegen de grond sloeg. Toen gebeurde alles heel snel. De paar mannen die er waren werden snel in de kiem gesmoord. Er kwamen er meer. Eéntje kwam recht op mij af. Er werden pijlen afgeschoten. Wolfjin viel neer, en Thenaka raakte ook dodelijk gewond. Wolfjin was vlak naast mij, dus probeerde ik hem te helpen, toen alles zwart werd voor mijn ogen. Toen ik ze terug opendeed, zag ik dat de situatie er niet op verbeterd was. Ik gooide mijn voornemens om ze niet meer elke keer te helpen overboord, en riep de krachten van Tsa op, enkel om te beseffen dat, ookal was Thenaka nu in orde, voor Wolfjin was alle hulp te laat gekomen.

De mensen kwamen naar buiten. Ze zagen er niet goed uit. Ze kwamen ons bedanken. Sommigen gooiden geld voor onze voeten. Thenaka schopte het razend terug, woedend dat de mensen dachten dat het verlies van Wolfjin op die manier zou kunnen worden gecompenseerd. Zelfs Lyam nam het geld niet aan. Wolfjin zou willen worden gecremeerd. Zo ging het eraan toe in zijn cultuur. Dat zou hij gewild hebben. Ik ging hout zoeken. Balken, die nog niet in brand staken, en ik maakte er een stapel van. Daarna hief ik met behulp van Lyam, het lichaam van Wolfjin op de stapel en ging vuur halen waarmee ik het geheel in brand stak. Ik zuchtte. Ergens was ik opgelucht dat we het nog hadden kunnen uitpraten. Dat was nog geen dag geleden gebeurd. Hij had me nog berispt op mijn gewaad, enkele uren terug. Nu vervormde zijn lichaam langzaam in het vuur waarna het naar de hemel opsteeg in de vorm van een zwarte as. Thenaka zei niets. Hij was razend. Hij had willen weggaan, maar de ridder had hem tegengehouden. Alsof dat eeuwig zou lukken

Lang bleven we niet meer in het dorp. We hadden onze paarden bij elkaar gezocht, en Lyam had het paard van Wolfjin genomen. Dat had de Aves-hoeven aan die Wolfjin had gewonnen in het toernooi. Hij had de zwarte ridder verslagen in de paardenrennen. Het was donker geworden, en iedereen was moe. De wacht werd verdeeld onder de drie mannen. Ik sliep gewoon. De volgende morgen, was Thenaka verdwenen. Hij was zomaar weggegaan. Hij had niet eens de moeite genomen om eventjes afscheid te nemen. Het was leuk om te weten dat ik na al die jaren zoveel voor hem betekende. Hij was nooit veel meer geweest dan een ruwe krijger. En dat was waarschijnlijk het doel dat hij ging najagen. Maar... ik zou hem toch missen.

Klaar

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!


Laatst aangepast door Dawn op di dec 09, 2008 11:49 pm; in totaal 1 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   ma dec 01, 2008 5:13 pm

XX IV De griffioen

Zo vond ik mezelf in het bos met de bard en de heks. Wat moesten we nu doen? Lyam wou gewoon verder zoeken naar de Uciriaat. Omdat ik nog steeds niets beters te doen had, besloot ik om maar verder mee te gaan. Lyam wou waaarschijnlijk graag nog een goed verhaal vinden. Hij had tenminste niet zo'n geweldadige bedoelingen als Thenaka. Lyam reed op het paard van wijlen Wolfjin, en dus konden we snel verder rijden. In het bos zagen we plotseling bloed liggen. En niet zo'n klein beetje ook.. De heks wist het spoor te volgen, tot we uiteindelijk op een plek kwamen waar het gras vrij hoog stond. Ook hier kleefde er hier en daar bloed aan de grashalmen. Het spoor was wel niet meer te volgen. Ik bleef op mijn paard zitten, bang om besprongen te worden, door wat er zich ook in deze grassen kon schuilhouden en slaagde er zo ook in om van een beetje hoger te kunnen kijken wat er hier te vinden was. Uiteindelijk zag ik iets, en leidde ik mijn paard in die richting. Lyam, en de heks volgden me. En daar zagen we een grote open plek, die in het gras leek te zijn geschroeid. Het stonk er naar verkoold vlees, en overal lagen veren en grote plassen bloed. Het bleek dat die veren afkomstig waren van een griffioen. Ook zagen we twee verschillende sporen. Beiden hadden de vorm van de sporen van katachtigen. Maar het ene spoor was iets kleiner dan het andere.

We probeerden te zien van waar die sporen afkomstig waren. We hadden onze conclusie al getrokken over de griffioen, maar wat was die andere? Ik bedacht dat het misschien wel eens een sfinx kon zijn. Lyam leek opgetogen door dit idee, en het verhaal dat eraan verbonden zat. Hij raapte veel van de griffioenenveren op en stopte ze weg. Kareja nam er ook een paar mee. Ik bleef ervan af. Ik zag niet in wat voor nut die dingen zouden kunnen hebben voor mij. We trokken verder en zagen uiteindelijk een pad. Daarop gingen we rustig verder. Ik had niet veel zin om in het bos rond te gaan rijden. Wie zou het ook verdacht vinden om een Tsa-priesteres en een bard samen te zien rijden? Die heks kon argwaan wekken, maar ze sloeg mijn waarschuwing in de wind en weigerde om in het bos te gaan. Voor mij geen probleem. Uiteindelijk hoorden we het geluid van naderende hoeven. Ik keek even achterom en zag iemand in het zwart gekleed achter ons rijden. Lyam en de heks wilden zich onmiddelijk gaan verstoppen, maar ik zag het gevaar niet in van nog een reiziger. Dit was een weg voor een reden. Lyam merkte op dat hij in het zwart was gekleed, de mythe versterkend dat alle mensen in het zwart, slecht zijn. Hij was zeer onrustig. Maar ik liet de man naderbij komen, en toen zag ik dat vlak daarachter, ook Thenaka reed. Hij zei een zeer simpele begroeting, en ik ergerde me er verschrikkelijk aan.

Hij stelde de man die bij hem was nonchalant voor als “Daan, de grenswachter. Een wel nuttige spoorzoeker”, en liet compleet weg hoe hij hem had ontmoet, waarom hij dacht dat die jongen zo betrouwbaar was, en waarom die grenswachter zelf met ons mee wou komen. Hij was tenslotte een 'grenswachter'. Maar zoals altijd, had ik niets in te brengen. Ik bleef er even nonchalant bij, en stelde mezelf voor. Zuchtend volgde ik ze, wanneer ze weer verder gingen. Lyam vertelde maar al te graag – het zal zijn beroep zijn – wat we hadden gevonden, en ontdekt, en hij liet ook de veren zien. De grenswachter zei dat die mooie pijlen zouden maken, maar Lyam griste snel de veer terug. Ok... alsof hij er niet genoeg had. We reden een stukje verder toen – zonder grap – het wolkendek openbrak, er een grote lichtstraal naar de grond toescheen, en er even later een griffioen in die lichtstraal naar beneden kwam, om ons pad te blokkeren. Het stond er maar. Lyam wou vragen of het beest kon spreken, maar het beest onderbrak hem door te spreken.

Het vroeg ons wie we waren, en wat we kwamen doen. Alles dat we vertelden, leek echter slecht. Hij vond niets dat we wouden doen, waardig aan wat hij noemde 'zijn pad', en vertelde ons gewoonweg dat we ook maar eens zijn pad moesten gaan volgen. We probeerden ermee te redeneren, maar hij bleef zeggen dat we niet het juiste pad bewandelden. Hij keek ook zeer boos en hooghartig naar de heks. Zij, op haar beurt, staarde naar de grond. Uiteindelijk vroeg ik wat die griffioen (genaamd Vigorian) hier kwam doen. Ik kon zeer moeilijk geloven dat hij het leuk vond om af en toe neer te dalen op die wijze en in discussie te treden met onschuldige reizigers. Dat deden mythologische creaturen niet. Hij zei dat hij hier was om te kijken of we de weg van het kwade bewandelden. Ik vond dat hij al lang bewijs had, dat we dat niet deden. En toen begonnen bepaalde mensen, de griffioen uit te dagen, door te zeggen, dat griffioenen ook wel eens het pad van het kwade konden bewandelen, en zich zo aansloten bij de kirvalken. Ik kan niet geloven dat dat beest ons niet met één klap had neergemaaid. Maar uiteindleijk besloot het dat we geen handlangers van het kwade waren, en steeg terug op in de lichtstraal die op hem wachtte, en samen met he terugtrok.

XXV De baby

Na dit – naar mijn mening – veel te overdreven, en nutteloze bezoek, dat waarschijnlijk ook een verspilling van de griffioen zijn tijd was, trokken we nogmaals verder. En toen, kwamen we tot mijn afschuw aan, bij een grote klif. Die was eigenlijk wel zeer hoog. Als je daar afviel, kon je je nek wel breken! Er was een perfect begaanbaar pad, maar dat zou te lang duren. Dus besloten de grote sterke krijgers om eventjes die klif in drie delen te gaan beklimmen. We zouden dus de paarden moeten achterlaten. Ik kon alleen maar hopen dat mijn paardje dit zou overleven. Maar eerst moest ik me zorgen maken over mezelf. De grenswachter klom over de kliffen, als was hij een aap, en sloeg haken in de rand. Hij was ook bezig met allerlei touw. Thenaka hielp hem. Uiteindleijk was het blijkbaar klaar om ons ook naar boven te helpen. De grenswachter bond me vast, en Thenaka bond Lyam vast. Ik wachtte met klimmen totdat ik Lyam in actie had gezien. Net als ik wel zou verwachtten van zo'n medogenloze rots, schooof Lyam uit en viel. Thenaka kon het gewicht van onze bard niet dragen en vloog omhoog. Zo eindigden ze in een ingewikkelde knoop, waarbij ze met hun hoofden tegen elkaar begonnen te botsen. Zo, was dat even een leuk vooruitzicht zeg. Ik wou niet meer. Maar de grenswachter overtuigde me door te zeggen dat hij de paarden zou gebruiken, en dat die mijn gewicht echt wel zouden kunnen dragen. Datzelfde gingen ze ook doen voor die arme Lyam, die nog lang het mikpunt van hun grapjes zou zijn door zijn gewicht.

Dat werkte eigenlijk best wel goed. En zo klommen we tot aan het tweede plateau. Ik kon eventjes bekomen en wachten tot Thenaka en de grenswachter ook boven zouden zijn. De heks vloog op haar gemak naar ons toe. Ze had geen enkel probleem met hooogtes. Maar toen kwam het tweede deel. Ik durfde echt niet. Dat zou nog hoger zijn. Ik wou gewoon vanaf hier het pad verder nemen. Maar ze lieten dat niet toe. De grenswachter wou het echter niet horen, en begon me nara boven te trekken, waardoor ik een paar lelijke blauwe plekken opliep. Hoe durfde hij! Maar de derde keer zou dat niet pakken hoor! Ik hoorde een paniekerig gegil en keek voorzichtig naar beneden. Lyam's touw was aan het scheuren! Hij klede zich stevig vast aan de rotsen, maar was plotseling al zijn houvast kwijt. De grenswachter ging hem helpen en uiteindelijk geraakten ze toch weer boven. Ik had genoeg gezien, en begon gewoonweg met behulp van het pad verder naar boven te gaan. Een paar mensen van de groep probeerden me tegen te houden, maar het lukte ze niet me te overtuigen. Ik had er ruim genoeg van, en nam het veilige pad. Ik beloofde dat ik zou rennen, zodat ik sneller zou zijn. De heks ging met me mee, om me te beschermen. Ze vloog, zodat ze me met gemak kon bijhouden, en er niet moe van werd.

Uiteindelijk kwam ik toch terug boven. Het was al vrij doker, dus nam ik aan dat de groep ergens in het bos een kamp hadden opgeslagen, en al bezig waren met de wacht. Ik kon nu ook wel wat slaap gebruiken. We gingen op zoek, naar de jongens, maar ja, waar te beginnen. En toen, hoorden we een vreemd gezang. Het leek wel een lokroep. We gingen er naartoe, ik voornamelijk omdat ik nieuwsgierig was naar deze mooie stem. Plotseling vloog er iets zilverachtigs over ons hoofd, en ging ook die richting. We gingen de verschijning rennend achterna. En toen kwamen we bij een open plek, waar tot onze verbazing een sfinx zat, trots als een leeuw, op een stenen ondergrond. De sfinx keek geheimzinnig naar de lucht, tot plotseling een griffioen vlak voor de sfinx landde. De griffoen deed niets, maar de sfinx vroeg een raadseltje. Een heel simpel raadseltje. De griffioen echter, bleef de sfinx het antwoord schuldig, en diende die schuld in door een wel zeer plotselinge en werkelijk oorverdovende dood. Het beest spatte uiteen, met een vreselijk gekrijs. Mijn oren deden er pijn van, en nog niet zo'n klein beetje. De sfinx vloog hierop gelukkig weg. Plotseling had ik de indruk dat griffioenen niet al te slim waren. Prachtig beest, met de hersens van een mus.

Maar we moesten nog steeds de groep zien terug te vinden. Ik ging af op de geur van geroosterde konijntjes. Tenzij de wolven nieuwe technieken hadden uitgedokters, bestond er veel kans dat dat de groep was, dus gingen we daar naartoe. En ja hoor, daar zagen we de jongens. Lyam was op konijntjes aan het knabbelen. Hij zij ons onmiddelijk, op zeer verbaasde toon, dat ze een luide knal hadden gehoord, en dat die pijn had gedaan aan hun oren. We legden uit wat er gebeurd was. Meer voer voor zijn verhalen. Het begon volgens mij wel op te stapelen voor Lyam. Ja, als je af en toe uit de stad kwam, zag je vreemde dingen. Maar ik was moe. Ik had veel gelopen, en ik wou gaan slapen. Ik kreeg geen wacht meer, maar dat vond ik niet erg. Lyam had blijkbaar ook de konijntjes opgegeten die voor ons bestemd waren, dus eten konden we ook niet echt meer. Geen wonder dat de bard zoveel woog dat zijn touw was doorgenkapt. En met die gedachte viel ik uiteindelijk in slaap.

Toen we de volgende morgen opstonden, konden we weer snel vertrekken. We moesten wel, want we hadden geen paarden meer. Ik denk dat die eigenlijk toch wel onze reis korter hadden kunnen maken, ookal hadden we dan de weg moeten nemen. Maar daar was het toch te laat voor. En toen hoorden we baby-gehuil. Ik ging er onmiddelijk op af, gevolgd door de rest, en zag toen een babytjes, van amper een week oud, in een holle boom liggen. Rond zijn nekje had hij de zchijf van Praios hangen. Het was een dutske van een kleintje, gewikkeld in een dekentje. Ik nam het mee. Ik kon het toch niet laten liggen! Het was een schattig jongetje. Wie had het toch hier kunnen laten liggen. Het was gewoon gemeen. De grenswachter klaagde dat hij nu ook iets moest zoeken voor het kindje. Maar dat deed hij snel genoeg. Het leek niet zo moeilijk voor hem. We zouden het kind waaarschijnlijk wel in een dorpje kunnen geven aan iemand. Of als er een Tsa-tempel was, kon ik het kindje daar achterlaten. We gingen dus terug op weg, naar een pad, dat zich opsplitste. We moesten eigenlijk naar de plek waar die burcht stond. We zouden daar doorheen moeten. Dus gingen we die kant ook op.

XXVI De burcht

We zagen de burcht al opdoemen, toen we plotseling een graf zagen. Op het graf stond een boronrad. De naam op het graf luidde Peraima. Vreemd dat een graf zich heir zou bevinden. Eventjes verderop vonden we vreemd genoeg kleren. De kleren lagen bij een grote modderput. Thenaka gooide Lyam een touw toe, en sprong in de put, die hoogstens 10 centimeter diep was. Hij was denk ik een beetje gek geworden. Er waren ook varkenssporen te zien, rondom de kleren, dat, en de voetsporen van een mens. De kleren waren duidelijk die van de uciriaat, en het paard dat daar rondstrompelde, en dat de grenswachter ging vangen, was ook een duidellijk teken, door zijn uiterlijk. Ik hoopte dat de man niet was opgegeten door zwijnen. Na een beetje onderzoek hadden we door dat we hier niets konden vinden. De grenswachter joeg Lyam van het paard af, en we gingen richting burcht. Misschien dat ze daar meer wisten.

De poort was dicht, dus konden we niet naar binnen. Thenaka trok aan een bel die er hing, maar er kwam geen antwoord. Toen hij voor de tweede keer aan de bel trok, ging er echter een luikje open. Iemand vroeg wat we juist kwamen doen, maar zoals altijd konden we echt niet onmiddelijk onze opdracht uit de doeken doen. We zeiden gewoon dat we erlangs wilden. Als antwoord kregen we dat de graaf niemand wou ontvangen. Toen ik vertelde dat we een kind hadden gevonden in het bos, vertelde de wachter ons dat we het kind moesten neerleggen en een paaar stappen terug moesten wandelen. Dit weigerde ik, omdat het hoogst onverantwoord was. We besloten om een briefje mee te geven, met een boodschaper, zodat we de graaf van deze burcht konden laten weten dat we er waren, en binnen gelaten wouden worden. We gaven het briefje, en het luikje ging dicht. Na eent ijdje wachten, klopte Thenaka nog eens, en vroeg om drinken. Tot mijn verassing, zei de wachter dat hte eraan kwam. Even later, zagen we dezelfde man, boven terug verschijnen, met een emmer water, die hij leeg kieperde op Thenaka. De grenswachter ging dan maar voor een beetje eten zorgen. En zo wachtten we wel 2 uur, tot de boodschapper terugkwam met de boodschap dat we niet welkom waren.

Op dit punt had Thenaka er genoeg van, en liet zijn KGI-brief zien, zoals gewoonlijk. De wachter geloofde niet dat deze brief echt was, en dus wilde Thenaka, dat ik mijn eigen brief liet zien. Dat deed ik, en uiteindlelijk liet de wachter ons dan maar naar binnen gaan. Aan de binnenkant waren mannen met geladen kruisbogen ons aan het opwachten, maar die lieten ze snel weer zakken. Blijkbaar waren die mannen voor onze bescherming. Ik geloofde er niets van. Ze waren er vast om ons in de gaten te houden. Bij ons was eeen man genaamd Jeffrey, met een verschrikkelijk accent, dat Lyam tot groot ongenoegen van de groep, snel oppikte. En toen konden we eindelijk die burcht binnen. We werden verwelkomd door de graaf die een meisje naast zich had. We waren al gewaarschuwd daar niet te veel over te vragen. Blijkbaar had de graaf het meisje in het bos gevonden. Ze heette Xerania, en was ongelooflijk schaapachtig. De graaf nodigde ons uit aan zijn tafel. We hadden door de grenswachter al gegeten, en ik vertrouwde het eten van die mindere adel niet zozeer. Daar hadden ik en Thenaka al bepaalde problemen mee gehad. Ook het drinken dat ons werd voorgeschoteld raakten we niet aan. Het feit dat die graaf ons eerst niet binnen wou hebben was namelijk geen goed begin voor vertrouwen.

Ik begon een gesprek met Xerania. Ik vroeg haar waar ze vandaan kwam, en uiteraard stond de graaf al op het punt om voor haar te antwoorden. Ik onderbrak hem vriendelijk, en zei hem dat ik de vraag aan het meisje had gesteld, en wenste om met haar een conversatie te beginnen, en niet met hem. Hierna nam hij een symbolisch stapje terug, en kon ik mijn vragen stellen aan het meisje. Ze was niet erg spraakzaam, extreem verlegen, veel te naief, en ze leek een geheugenstoornis te hebben. Ze wist niets meer van voordat ze gevonden werd. Of het was haar opgedragen om van de gebeurtenissen daarvoor niets te zeggen, maar dat leek me sterk. De graaf leek zelf anders ook wel heel verward. Hij veranderde de hele tijd de feiten van zijn verhaal. Het tijdstip van de dood van zijn vrouw, het tijdstip van de vondst van zijn verloofde... en ik vond het best wel gemeen dat hij al zo snel een nieuwe vrouw had weten te vinden. Hij leek het helemaal niet spijtig te vinden dat zijn vrouw dood was. Blijkbaar was die vrouw ook onvruchtbaar geweest. En nu was ze dood. Allemaal wel zeer toevallig.


Laatst aangepast door Dawn op di dec 09, 2008 11:49 pm; in totaal 1 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   di dec 02, 2008 8:31 pm

XXVII Het eten bij de graaf

Na het eten, kregen we het aanbod om bij een bepaalde boer langs te gaan. Blijkbaar zou deze ons wel slaapplaatsen geven. En toen verkondigde hij heel open en onsubtiel dat hij eens naar bed zou gaan met zijn verloofde. De grijns op zijn gezicht versterkte mijn geloof in het feit dat mannen varkens zijn. Tsk, maar ja, ze leek het zelf te willen, dus wat kon ik doen. We gingen gewoon naar de boer die ons was aangewezen. We sliepen vrij snel, nu ja ik toch, want ik moest de wacht niet houden. Maar in het midden van de nacht werd ik wakker gemaakt door een tumult. Thenaka had een jongetje vastgegrepen. Hij vroeg het jongetje wat het van plan was geweest. Het jongetje zei dat hij ontbijt kwam brengen... alleen was hij het ontbijt vergeten. Dat was het zwakste excuus dat ik ooit had gehoord. De grenswachter had zijn pijl tegen de nek van het jongetje gezet. Thenaka zei dat hij zou gaan kijken of dat ontbijt er daadwerkelijk stond, en als dat niet zo was, mocht de grenswachter de pijl loslaten. Thenaka meende dat niet, wst ik. Zelfs hij was niet zo grof. De jongen gaf echter onmiddelijk toe dat hij had gelogen, en dat hij enkel nieuwsgierig was. Hij wou weten wat we bijhadden. Dat leek me nog steeds een beetje vergezocht, maar kom, kinderlijke nieuwsgierigheid. De jongen vertelde dat zijn vader een smid was die Katja heette. Dat klonk raar, maar dat was wat Thenaka had willen weten. Daarop liet hij het jongetje los, en zei het dat hij niet meer terug mocht komen, want anders zou de grenswachter de pijl lossen. Meer loze bedreigingen. Maar het jongetje vertrok, en we zagen het de rest van de nacht niet meer terug.

De volgende dag deden we niet al te veel. Maar de grenswachter riep me eventjes apart. Hij vrooeg me of ik iets karmaal in het kind voelde, om te weten of hij was omgetoverd door één of ander wonder. Ik voelde niets, wat eigenlijk wel een beetje vreemd was. Ik zei hem het te vragen aan Kareja. Misschien was er iets magisch aan. De grenswachter riep de heks erbij, alsof hij wou dat ik daar bleef. Hij liet zijn ogen de hele tijd op mij rusten, zelfs toen hij de heks zijn vraag stelde. Het antwoord leek hem feitelijk niets te interesseren. En daarna begon hij over compleet onbenullige dingen, vroeg hij of hij het kindje mocht vasthouden, en probeerde me er dan van te overtuigen dat het kind verschoond moest worden, terwijl dit duidelijk niet zo was. En zoja, dan had ik altijd nog Lyam zijn hemd dat ik heb opgekocht voor een dukaat. Maar goed, de grenswachter gedroeg zich zeer vreemd. Uiteindelijk liet hij me gaan, en gingen we kijken naar dat kind dat ons had willen beroven. En daar bleek dat het niet zijn vader, maar zijn moeder was, die smid was. Thenaka had blijkbaar zijn antwoorden al. Het kind was op zoek gegaan naar belangrijke papieren als opdracht van de graaf. Geweldig. Ik wist dat die man niet te vertrouwen was.

Ik besloot Xerania te zoeken. Ik wou met haar praten. Ze leek me geen slecht persoon te zijn. Ze was gewoon een naief meisje dat in de verkeerde handen was gevallen. Ik vond haar in de tuin. Ze was voor haar bloemen aan het zorgen, en ik hielp een beetje mee. Ik vroeg haar een beetje naar de graaf, maar ze had enkel mooie woorden en dagdromen voor hem. In haar ogen leek de man zo onschuldig als een pasgeboren kind. Uiteraard geloofde ik niets van die onzin. Ik vroeg haar of ze zich echt niets meer kon herinneren, en dat kon ze niet. Het gesprek werd vruchtelozer naarmate mijn vragen op geraakten. Ik vroeg haar of de graaf haar opsloot, en ze zei van niet, dus nodigde ik haar uit voor een wandeling. Ze ging inderdaad met me mee tot buiten de muren, en ik vroeg haar om met mij naar het dorpje te gaan. Wie weet was daar immers iemand die haar kon herkennen. Ze zei dat ze wel wou, maar dat ze het eerst moest vragen aan de graaf. Anders zou hij zich ongerust over haar maken. Uiteindelijk moest ik ermee instemmen, ookal wist ik dat de mogelijkheid bestond, dat ik er de volgende dag niet meer zou zijn, en dat de graaf mijn bedoelingen zou doorhebben, en haar zeker niet zou laten gaan. Maar ik kon het meisje moeilijk dwingen. Ik liet haar dus maar verder werken in haar tuintje.

Diezelfde avond, waren we wederom uitgenodigd voor een etentje, bij de graaf. Wat konden we anders dan ernaartoe gaan? Daarbij was ik nieuwsgierig wat hij zou zeggen als we vroegen of Xerania en ik naar het dorpje mochten. Daar ontmoette ik de rest weer. Lyam was blijkbaar geamuseerd door één of andere sleutel. Hij was vrolijk als een bard. We gingen naar binnen en namen daar onmiddelijk plaats aan de tafel. En Lyam vroeg of hij eeen verhaaltje mocht vertellen. De graaf ging akkoord. Lyam vertelde iets vreemds over een kuisheidsgordel, waarvan de graaf zeer kwaad leek te worden. Uiteindleijk vertelde hij Lyam te stoppen, en Lyam trachtte hem te kalmeren door te zeggen dat het maar een simpel verhaaltje was. Uiteindelijk gromde hij, en vertelde Xerania naar haar kamer te gaan, en dat ze er later nog wel over zouden spreken. Xerania luisterde naar de bevelen, als een gehoorzaam kind. Met de staart tussen haar benen, verliet ze de eetkamer. Wat een gemene man, was die graaf. We aten verder, en uiteindelijk vroeg Lyam of hij bepaalde delen van de burcht mocht onderzoeken. Blijkbaar was dit een maatregel tegen een aanstormend leger. De graaf gaf hem inderdaad die toestemming, tot mijn verbazing, en hij verliet ook de kamer, net als Lyam, maar beiden een andere richting uit. Dus wachtten we tot Lyam terug was.

XXVIII Wederom gevangen

En toen kwam Lyam, paniekerig terug naar binnen. Hij zei dat de graaf bezig was met zijn verloofde een pak rammel te geven. Thenaka stond kwaad op, en volgde Lyam, net als ik, en de heks. De grenswachter leek zeer weinig interesse te hebben. Zo volgden we Lyam tot naar een deur, die bewaakt werd door een wachter. Hij zei dat we niet door mochten. Lyam vroeg toen of hij Thenaka had bezig gezien toen deze les had gegeven. Had Thenaka les gegeven dan? Ik zou denken dat hij zelf nog een beetje moest ontdekken hoe hij moest vechten met maaar één hand. Maar dat terzijde, zei de man dat hij Thenaka inderdaad had bezig gezien. Lyam dreigde ermee Thenaka los te laten als hij niet uit de weg ging. De soldaat stamelde iets van niet genoeg betaald worden, en strompelde weg. De deur was op slot dus klopte Thenaka op de deur. Een stem riep dat we buiten moesten blijven. Thenaka klopte eeen tweede maal. Nogmaals zei de stem ons weg te gaan. Thenaka echter, bleef kloppen, en uiteindelijk, hoorden we binnen een beetje geschuifel. De graaf deed de deur open, en vroeg ons waarom we hem kwamen storen. We zeiden dat we er waren omdat hij zijn vrouw blijkbaar graag sloeg, dus om haar te helpen. Hij protesteerde eerst wel, maar zei dat ik en de heks binnen mochten om te kijken. De jongens gingen akkoord, en wachtten buiten, zei het met lichte protest. Ik ging naar binnen en bekeek Xerania, die onder de dekens lag weggedoken. Ze had een paar blauwe plekken, en schrammen, maar het was niet ernstig. Ik vroeg hoe ze aan die blauwe plekken kwam. De graaf zei dat ze van de trap was gesukkeld.

Ik geloofde hem niet, en toonde dit ook duidelijk. Ik nam Xerania's hand vast en wou haar meenemen, maar de graaf nam hara andere hand vast. Xerania zelf, het domme wicht, stribbelde ook tegen. Toen stormde Lyam binnen die wou helpen, maar er kwamen ook soldaten binnen, die ons wouden arresteren. Thenaka was blijkbaar al weggegaan. De heks deed niets. Ze stond daar maar. Uiteindelijk werd Lyam overmeesterd, en wij beiden werden gearresteerd en in de kerkers gesmeten. Ik wou dat ik die rotgraaf kon vervloeken. Dan had hij dezelfde eigenschap waar hij waarschijnlijk zijn vrouw voor had vermoord. En wees maar zeker dat ik hierover zou klagen bij iemand, bijvoorbeeld Dextrot. Maar op dat moment, zaten we in de cellen. Ik voelde me ietwat schuldig tegenover Lyam. Het was mijn schuld dat hij gevangen zat. Ik had hem niet naar binnen moeten roepen. Hijzelf beschuldigde me nergens van, en in de hoop dat deze kerkers al oud waren, begonnen we te zoeken naar een kapotte staaf. We vonden niets, en besloten dus maar om te gaan slapen. En dat was nu eens een grote fout gebleken...

Plotseling stond Xerania voor de tralies. Ze zei me dat ze het kind wel kon overnemen. Ik wou niet. Ze volgde zeer duidelijk de bevelen van deze graaf maar al te graag op, en ik wist niet wat die man met dit kind wou doen. Maar naar hoe hij zijn verloofde behandelde, vertrouwde ik hem totaal niet. Xerania drong nog eventjes aan, maar uiteindelijk gaf ze het op. En toen plotseling zette ze grote ogen op waar zwarte bliksemschichten uit kwamen die op mij en Lyam afkwamen terwijl ze riep “Omarm Boron!”. Toen werden we beiden wakker, verbaasd dat we hetzelfde hadden gedroomd. Voor de tralies, stond een even geschrokken dienstmeisje. Ze vroeg of ze het kind mocht hebben. Ik wiegerde nogmaals, en ze snelde weg. Het arme kind. We waren beiden wakker geschrokken van die vreemde droom. Omarm Boron, had ze gezegd. Bedoelde ze daarmee dat ze ons dood wilde? Nee, ik moest er niet te veel achter zoeken. Dit was Xerania, waar we het over hadden. Ze was veel te onschuldig voor bedreigingen. Ik en Lyam hadden gewoon toevallig exact dezelfde droom gehad. Goed, erg waarschijnlijk was het niet, maar toch besloot ik het daar voorlopig bij te laten. Tot mijn verbazing, werden we amper na een dag terug vrijgelaten. Nu ja, ik mocht vrijuit gaan, maar Lyam zounog gestraft worden. Eerst eiste de graaf een muilkorf, tot hij daar op terugkwam en iets milder wou voorstellen. Een muilpeer. Over zeker niet milder gesproken! De arme bard had geen idee wat hem overkwam. Terwijl hij werd weggevoerd besloot ik nog een martelaarszegen over hem uit te spreken, zodat hij de pijn beter kon verdragen. Dit was immers mijn schuld, en zo kon ik hem toch een beetje helpen.

XX IX Klaar voor vertrek

De graaf zei dat alles weer was opgelost en dat ook Lyam hierna terug aan zijn tafel mocht dineren. Ik vond hem maar een opgeblazen, schijnheilige persoon. Dat hij maar niet dacht dat hij hiermee wegkwam. Ooit zou dit naar hem terugkomen, maar dan dubbel. Voorlopig zei hij dat we niet weg konden gaan, want de gids die we nodig hadden was nog niet terug, en bla bla bla. Toch wou Thenaka graag zo snel mogelijk vertrekken. Ik wou hier ook niet al te lang meer blijven, maar we zouden eerst moeten zien hoer erg Lyam er aan toe was. Toen de bard uiteindelijk naar onze kamer in de boerderij werd teruggestuurd, was hij er toch slecht aan toe. Zijn kaak was ontwricht, maar Thenaka zette die meedogenloos terug op zijn plaats. Arme Lyan. Ik probeerde hem zo goed mogelijk te verzorgen. Ik was tegenwoordig beter in het verzorgen van zwaard – en pijlwonden, maar het lukte me wel. Hij zou beter nog een nachtje of twee slapen, en dat deden we dus. Een paar mensen besloten om in de burcht te slapen. Ze deden maar. Ik bleef die nacht maar bij Lyam. Ik voelde me nog steeds schuldig. Ik kon me wel vooorstelle dat een bard dit soort dingen niet gewoon was.

De volgende dag deden we niet veel. Thenaka en de grenswachter waren opgewonden over één of ander vliegend beest dat ze hadden neergeschoten. Ik kon niet geloven dat Thenaka's moordlust zelfs 's nachts niet te temperen was. En waarom iets neerschieten dat helemaal niets had gedaan? Nu ja, misschien hadden ze het gewoon gedroomd. Toen de jongens de graaf dit niuews gingen vertellen, met mij erbij, zei de man dat dit hoogst eigenaardig was. Thenaka zei dat het een sfinx was geweest, en de graaf was verbaasd om te weten dat een sfinx niet enkel een verzinsel was uit kinderverhaaltjes. En dat van iemand die ooit nog op griffioenen jaagde. We hoorden ook van hem dat zijn verloofde zich niet zo goed voelde, en dus in haar kamer zou blijven. Een wachter stond voor de deur, en de graaf ging een andere kamer binnen. Ik wou toch graag weten, wat er nu juist mis was met het meisje. Xerania had me eerder gewezen op de klimop die ze in haar tuin liet groeien, dus ging ik naar buiten om te zien of er toevallig ook klimop tegen haar buitenmuur groeide. En dat was inderdaad zo. Zo trachtte ik naar boven te klimmen. Het lukte vrij goed. De klimop was sterker dan ik oorspronkelijk had gedacht. En zo kwam ik uiteindelijk in haar kamer terecht.

Ze lag weer helemaal weggedoken in haar lakens, die bebloed waren. Ik ging stilletjes naar haar toe, en trok de lakens een stukje weg. Dat varken had haar tot bloedens toe geslagen. Blijkbaar omdat ze op de verkeerde manier naar de grenswachter had gekeken. Ze had overal blauwe plekken en schrammen. Geen wonder dat ze liever in haar bed bleef. Ze was er emotioneel ook kapot van. Ik dacht dat ze eindelijk begon in te zien, dat die lieve graaf van haar, eigenlijk toch niet zo heel lief was. Ik zei haar dat ze hier weg moest. Ze slingerde argumenten naar mijn hoofd, zei dat hij van haar hield. Ik probeerd ehaar te laten inzien dat niemand die van haar hield haar zo zou slaan. Ze leek dat toch te beseffen. Toen ik vroeg of zei nog van hem hield, zei ze dat ze het niet meer wist. Goed zo. Ik zei nogmaals dat ze moest ontsnappen, maar ze zei dat de graaf haar zou vinden en doden. Uiteindelijk overtuigde ik haar door te zeggen dat ze met ons mee moest komen. We zouden de volgende morgen vertrekken volgens Thenaka, en dus kon ze best wel mee. Ze ging akkoord, en jammerde dat ik snel weg moest voordat d egraaf terug zou komen. Nadat ik een beetje voor haar wonden had gezorgd, klom ik terug het raam uit, en liet haar zo alleen met haar gedachten.

DUN DUN DUN. Helemaal klaar

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!


Laatst aangepast door Dawn op di dec 09, 2008 11:50 pm; in totaal 1 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   di dec 09, 2008 11:40 pm

XXX Zondaar

Toen ik terug in de boerderij was aangekomen werd ik bijna overhoop gelopen door een zwijn. Ik wist net nog voor het dier opzij te gaan. Daarna kwam de boer binnengestormd, met een groot, blinkend mes in zijn handen. Maar het zwijn was blijkbaar nog niet van plan om geslacht te worden en bleef rondstormen. Toen kwam Lyam naar beneden, waarschijnlijk gelokt door het aanhoudende gestommel, en werd ook bijna omvergelopen. Maar hij slaagde erin om het zwijn buiten te werken, zodat het weeer rustig was in de boerderij. Die boer moest echt eens beter op zijn varkens gaan letten. Daarna merkte ik op dat de bard wel heel geheimzinnig deed over iets. Hij wenkte me, en ik volgde hem naar de zolder. Hij had daar op zijn eentje een stropop gemaakt in de vorm van een sfinx. Hij zei dat hij het geen goed idee vond om de sfinx neer te schieten. Het was immers een mythologisch wezen, en hij vond dat het niet gedood mocht worden. Daar kon ik volledig mee akkoord gaan, en ik verheugde me al op de verassing van de rest, als hun pijlen zich door een stropop zouden boren. Ik zei Lyam dat ik er wel bij wou zijn, en hij had daar niets op tegen. Ik besloot om hem ook ergens in te vertrouwen, en liet hem zien wat ik al een tijdje bij me had. Ik dacht dat hij, als bard, wel kon helpen met bepaalde dingen. Hij beloofde me, dat hij wat dingen zou opzoeken in verband met het ding.

Plotseling hoorde ik iemand mijn naam roepen, en ik keek uit het raam, samen met Lyam. Verbazingwekkend genoeg, lag daar beneden een dode man, omring door de grenswachter, en uiteraard weer Thenaka. Ik ging maar snel naar benden, ookal was het duidelijk dat de man al dood was. Lyam volgde me, natuurlijk weer uit op een boeiend verhaal. Ik zag dat er op de grond, iets heel onduidelijk was gevormd, maar ik besteedde er niet al te veel aandacht aan. Het probleem op dit moment was de grenswachter. Hij droeg zeer duidelijk het teken van de zondaar. Hij vroeg me of ik er iets aan kon doen. De man die daar op de grond lag, was de Uciriaat. Blijkbaar had de grenswachter de arme man vermoord. Geen wonder dat hij het teken van de zondaar droeg! Maar de grenswachter trachtte het uit te leggen. Hij zei dat de man voorheen een varken was geweest, door één of andere transformatie, en dat de boer het varken wou slachten voor het maal van die avond. Hij had willen helpen, had het zwijn neergeschoten, en iteindelijk de keel overgesneden om het uit zijn lijden te verlossen. Dat was zijn verhaal.

Ik vond het ietwat moeilijk te geloven, maar ik had al veel dingen meegemaakt die nog vreemder waren. Nogmaals vroeg hij me, of ik niet iets kon doen. Maar dat kon ik niet, zelfs al had ik dat gewild. Het was uiteraard ijdele hoop om te hopen dat de schietgrage man, hier iets uit had geleerd. Het was immers niet rechtsreeks zijn schuld, hij kon er niets aan doen. Maar toch droeg de man het teken van de zondaar, en ik hoopte dat hij er gaandeweg tenminste iets van kon leren. Na de grenswachter verzekerd te hebben, dat ik hem gewoonweg niet kon helpen, besloot hij om het lichaam naar de graaf te brengen, met de hulp van Thenaka. Ik en Lyam, gingen al voorop om een beetje rond te snuffelen in de bibliotheek van de graaf. Maar we zaten er niet lang. De graaf liet ons heel snel halen door bedienden. We moesten ergens bij zijn, misschien het diner. Maar toen we in de zaal kwamen, zagen we dat de grenswachter werd beschuldigt van moord. Uiteraard. De graaf hechtte tenminste nog enig belang aan mijn woord, en vroeg of het verhaal van de grenswachter waar was. Ik vertelde hem dat ik dat niet kon zeggen. Ik had het immers niet gezien. Ik was er niet bij geweest. Voor mij was het ook maar een verhaaltje geweest. Lyam zei dat hij het varken voordien wel had gezien, en ook iets over varkenssporen.

De graaf vroeg toen aan mij of ik hem al dan niet in staat achtte om een eerlijk oordeel te vellen. Uiteraard vond ik dat niet! Hij was een man die zijn verloofde in elkaar sloeg, en ons dan liet opsluiten, gewoon omdat we het hadden ontdekt, waarna hij Lyam had laten martelen om echt een stomme reden. Ik vertelde hem dus dat ik vond van niet, mijn redenen achterwege latend uit schrik om nog maar eens te worden opgesloten. Maar hij zei er niets op. Uiteraard moest de grenswachter weer moeilijk doen en zeggen dat hij wel door de graaf wou worden berecht. Hij manipuleerde de man ook door te zeggen dat we hem als spoorzoeker nodig hadden. Beiden vergaten op dat moment blijkbaar de spoorzoeker die al bedoeld was om met ons mee te gaan, want de graaf ging daarmee akkoord. Hij zei dat de grenswachter in de eerstvolgende stad zou moeten worden berecht door een Praios-priester, en daarna keerde de graaf zich naar mij om te vragen of ik daar voor wou zorgen. Ik was het beu dat mensen mij de verantwoordelijkheid over anderen gaven. Daan was een grote jongen. Hij moest voor zichzelf maar uitmaken wat goed en fout was. Maar wederom wou ik toch maar niet in de kerker gegooid worden, en zei dat ik mijn best zou doen. Maar wat kon ik doen? Hij zou nooit naar mij luisteren. Dus zou ik zelf naar de Praios-priesters moeten stappen om Daan aan te geven. Dat zou vast gebeuren in Gareth. Maar dat was voor later. De graaf zette zijn schijnheilige masker weer op, deed of er niets gebeurd was, en liet het eten aanrukken.

XXXI De Strooien Sfinx

De graaf vroeg naar wat er die avond was gepland voor de aanval op de sfinx. De grenswachter legde alles in geuren en kleuren uit. Hij zei ook dat hij soldaten nodig had om de ballista's te bemannen. Thenaka had er deze keer touwen aan vastgehangen, zodat de sfinx niet weg zou kunnen vliegen. Best een gruwelijke methode als je het mij vroeg. Ik keek een keertje naar Xerania, om te kijken of ze al dan niet klaar was voor de volgende dag. Maar ze leek eerder een beetje terughoudend. Ze probeerde me duidelijk te maken dat ze die avond niets kon doen, maar de volgende morgend wel. Dat was dan ook het plan geweest, dus ik zag geen probleem. Maar het werd tijd, dus gingen ik en Lyam maar terug naar de boerderij. We moesten immers op tijd zijn, om het plan te starten. Ik vond het best wel knap van de bard, dat hij zoiets had kunnen maken. Ik was al heel benieuwd, naar wat er zou gaan gebeuren. Iedereen nam zijn plaatsen in, op de daken. Het was al zeer donker. Niemand zou iets merken totdat het te laat was.

En toen duwde Lyam tegen de stropop. Ik hielp een beetje mee, en uiteindelijk vloog het gevaarte de buitenlucht in. En al snel staken er verscheidene pijlen in het beest. De pop stortte neer op de grond, wat het zoiezo wel had gedaan, en Daan en Thenaka liepen er al naartoe, zodat ze “de sfinx” konden afmaken nu ze de kans hadden. Barbaren. En toen merkten ze dat het ding helemaal niet ademde, geen hartslag had,... en nee, niet omdat het dood was gegaan. Het was geen echt beest. En toen kwam de echte sfinx aangevlogen. Iedereen stond er wat verward op zijn torentje, en de sfinx, die duidelijk slim genoeg was om een aanval te herkennen, wanneer ze er één zag, ging in de verdediging, en sloeg de soldaten van het dak. Meer dan de helft van het leger van de graaf was gesneuveld in enkele seconden. Maar daar most je dan ook niet veel voor doen. In al het tumult, had ik niet gemerkt dat er een jongetje de kamer was binnengekomen. Lyam sprong onmiddelijk recht, maar de jongen had enkel een papiertje bij, bestemd aan mij. Eventjes was ik bang, dat het weer één van die briefjes zou zijn, maar toen ik eiste de verstuurder te kennen, bleek dat het briefje ven Xerania was. Goed, dan zou het vast niets zijn. De jongen vertrok weeer, en ik las het briefje waarin Xerania zei dat ze te bang was, en dus niet mee zou gaan. Goed, uiteindelijk moest ze het zelf maar weten. Ik en Lyam gingen nog wat met onze neuzen in de boeken zittten die hij had meegenomen uit de bibliotheek. Mocht dat eigenlijk wel?

En toen kwam Thenaka naar boven gerend. Hij was furieus... maar dat was niet veel anders dan anders. Hij vroeg wie de stropop naar beneden had geduwd. Ik en Lyma deden beiden of onze neus bloedde. Ik vertelde Thenaka dat ik wel een jongen had gezien hierboven, en dat was geen leugen. Thenaka vroeg of die jongen het dan had gedaan. Ik zei dat ik het niet wist. En ook de grenswachter kwam naar boven gestrompeld. Hij stelde dezelfde vraag, maar hij leek door ons door te kunnen kijken. Hij beschuldigde ons van de moord op de soldaten. Ik vond dat hij me dat wel eens mocht uitleggen. Hij zei dat wij de sfinx de opening hadden gegeven, en dat daarom die soldaten dood waren. Maar als die dappere grenswachter geen aanval had ingezet tegen die sfinx, waren die soldaten niet dood geweest, dus dat ging niet op. En hoe kon hij mij als derde beschuldigen van zoiets, als hij zichzelf onschuldig achtte van het doden van de Uciriaat? Dat hele verhaal ging niet op. De grenswachter leek het leuk te vinden om de dingen zo te verdraaien, dat ze voor hemzelf goed uitkwamen. Hij bleef roepen dat wij de schuldigen waren, maar eerlijk gezegd, was ik niet onder de indruk van de beschuldiginge van een zondaar, en zeker niet als hij zich zo kinderlijk gedraagde, omdat hij zijn speeltje niet had kunnen krijgen.

Thenaka besloot toen om het bos in te gaan, om de sfinx achterna te gaan. De heks ging met hem mee. Ik vond het een beetje dom om te doen, maar ja. De grenswachter bleef ondertudden koppig verder mokken. Maar ik was blij dat er toch iemand aan mijn kant stond, namelijk Lyam. Dat was wel eens leuk voor de verandering. Na een tijdje wachten, kwamen Thenaka en Kareja teruggestrompeld. Thenaka riep om hulp. We gingen naar buiten en zagen dat ze half versteend waren. Thenaka vertelde osn een raadsel en zei dat we het moesten oplossen, om hen te redden. “Het heeft twee vleugels, één been, en als het loopt, is het geen gezicht” luidde het raadsel. Ik had geen enkel idee wat het kon zijn. Uiteindelijk kwam Thenaka zelf op het laatste nippertje met de oplossing. Het antwoord was “een neus”. Ze waren bijna dood geweest door de sfinx achterna te zitten, en uiteraard vond de grenswachter dat dat dan ook onze schuld zou zijn geweest. Net zoals de griffioenen die stierven, dat was ook onze schuld. Hij was echt net een kind. Zijn visie van de dingen was zeer vertroebeld. En hij was nog steeds de zondaar, niet ik. Maar het werd laat, en we gingen maar slapen. De volgende dag, zouden we immers vertrekken, na zolang hier te hebben vastgezeten. Eindelijk.

XXXII De grot

Zo gingen we vroeg op weg naar die grot waar we toch zo nodig heen moesten. De grenswachter maakte de hele tijd gemene opmerkingen over de stropop, niet merkend dat ik me echt niet aantrok wat hij er nu eigenlijk van vond. Zo trokken we de bergen in, met behulp van de spoorzoeker die bij ons moest blijven, om ons de weg te wijzen. Op een gegeven moment echter, waren we het allemaal met elkaar eens dat we die man niet vertrouwden. De graaf had al eerder iemand op ons afgestuurd om weet ik wat te doen. Aan de uitleg van die jongen te horen, had hij papieren moeten zoeken, maar we konden er niet zeker van zijn dat dat waar was. We kwamen niet echt veel verder die dag. We begonnen echter al sneeuw te zien, en Lyam vroeg aan de spoorzoeker of er hier ijsberen zaten. De spoorzoeker zei ja, dat er een paar zaten, en de grenswachter dacht duidelijk dat hij dit zei om zijn domme verzoekje in te willigen. Namelijk, om Lyam op het verkeerde been te zetten. Ik zei hem maar niet dat de man het echt meende, want ik zou weer als naief bestempeld worden.

Na een lange dag ploeteren door de sneeuw, gingen we dan eindelijk slapen. Ik kreeg zoals altijd, geen wacht om te doen. Niet dat ik dat erg vond, ookal begon ik de groep steeds minder en minder te vertrouwen. Soms leken ze me wel te willen lynchen. Als ik geen geweide was geweest, hadden ze dat waarschijnlijk al lang gedaan, ook. Ik kreeg dus geen wacht, en de bard ook niet, nadat hij in slaap bleef vallen. Maar midden in de nacht, werden we dan toch wakker. En hoe kon het dan ook anders zijn, dan door die ene griffioen, die we al waren tegengekomen. Hij keek onmiddelijk zeer gemeen naar de zondaar in ons midden. Hij begon er mee te argumenteren, en leek mij op het punt te staan de arme grenswachter, die het immers zo niet had bedoeld, te verscheuren. Dus pleitte ik voor hem en vertelde de griffioen, dat hij eigenlijk wel de waarheid sprak over de wel zeer vreemde omstandigheden, waarin dit alles was gebeurd. De griffioen leek waarde te hechten aan mijn woord, en liet de zaak vallen.

Hierna keerde hij zich naar ons toe. Hij zei dat we niets dat hij zei moesten onthouden, en dat we alles achterstevoren moesten interpreteren, of zoiets. Wat het ook was dat hij zei, de bard leek het te begrijpen. Na zijn uitleg, benadruke hij nogmaals dat we niets van dit alles moesten onthouden, keek de groep nog eens kwaad aan, en vertrok weer, deze keer niet in een lichtstraal, maar gewoon al vliegend. De spoorzoeker was niet wakker geworden. Ik kon niet begrijpen hoe de man in de bossen kon overleven. Als hij hier al niet wakker van werd, dan zou hij ook niet waker worden van een kwaad everzwijn dat zijn kamp binnenstormde. Nu ja, misschien was het ook maar beter zo.

De volgende dag, trokken we alweer verder, zodat we snel bij de grot, en uit de sneeuw konden geraken. Op een gegeven moment, zei de spoorzoeker dat hij niet meer verder wou gaan, omdat het te gevaarlijk werd. Hij gaf ons verdere aanwijzingen, en zei dat hij op ons zou wachtten. Zo gezegd, zo gedaan. We trokken verder, en uiteindelijk kwamen we inderdaad aan, bij de grot. Er stonden 3 grote stenen voor de opening. Op de stenen was iets gekerfd in een oude taal die niemand van ons nog kon kennen. Lyam had al snel gevonden dat de grot minstens 10000 jaar oud was. Dat was ook niet niets. En de taal was dan ook waarschijnlijk al lang uitgestorven. De bard bleef maar nadenken over wat de griffioen hem had gezegd, maar geraakte er maar niet uit. Tot uiteindleijk iemand de ingeving kreeg om de naam van de grot achterstevoren uit te spreken. Keranvor achterstevoren was Rovnarek. En na dit woord te hebben gezegd, gingen de stene opzij, en konden we binnen, in de donkere grot, fakkels bij de hand.


Laatst aangepast door Dawn op do dec 11, 2008 7:08 pm; in totaal 3 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   do dec 11, 2008 7:06 pm

XXXIII Xerania

Binnen in de grot zagen we op een gegeven moment 4 deuren. Blijkbaar was er maar één van die deuren die de waarheid “sprak” terwijl de rest loog. Op de deuren stond iets geschreven. Er was een rode, groene, grijze en een zwarte deur. En na enige deductie konden we de juiste deur eruit halen. Het was de zwarte.We gingen de gang in, en liepen ze door tot op het einde. En daar zagen we een oude bekende, namellijk Xerania. We zagen haar op het punt dat ze werd neergestoken door een oude man, die daar ook aanwezig was. Wat we ook zagen, was een griffioen. De griffioen was gewond, en zijn bloed werd opgevangen in schaaltjes. Het was de mooiste griffioen die we tot nu toe haddden gezien. Zijn veren leken wel van goud te zijn. Toen Xerania op de grond stortte doordat ze dodelijk gewond was, zagen we dat ze veranderde in de sfinx die bepaalde mensen zo graag hadden willen neersteken. Xeranie leek ontzet door deze daad, uiteraard. Maar wat deed ze daar in de eerste plaats? Er was een groot vuur dat tot op het dak van de grot reikte. En de grot was op dit pun heel erg hoog.Xerania zei de man dat ze het niet begreep. Dat het niet was gegaan zoals hij haar had beloofd. Hij had haar blijkbaar beloofd om meer sfinxen te maken. De man, dieoverduidelijk een tovenaar was, hield een grote, glazen bol boven zijn hoofd waren er vage schimmen rondzweefden.

En toen kwamen we te voorschijn. De tovenaar was niet blij om op dit punt bezoekers te hebben. Hij maakte drie grote golems van hout en stuurde die op ons af. Verder veranderde hij de grenswachter in een eekhoorn. Veel kon ik daar echt niet tegen doen. Ik kon alleen maken dat ik niet voor de voeten van de rest liep. Xerania was nog steeds aan het doodgaan, dus bedacht ik dat ik haar beter kon gaan helpen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik ging naar haar toe, maar voordat ik iets kon doen, stond ze vanzelf al recht, een bedreiging vormend, en zei dat ik opzij moest gaan als ik niet wou sterven. Ontzet deed ik wat ze zei. Hoe durfde ze. Ik wou haar ook alleen maar helpen. Daarna lie ze de kracht zien, die ze als sfinx in zich had en blies één van de golems volledig aan stukken. Ja hoord, als je zo iemand neerschoot op een goede winternacht, kon je wel problemen verwachten. Ik werd door een paar rondvliegende spinters geraakt maar verder was de schade beperkt. Xerania zei dat ze enkel mijn vriend had willen helpen, en viel toen bewusteloos neer. Nu kon ik haar helpen.

Ik had gezien dat Lyam met zijn dolk, de bol had geraakt die de tovenaar boven zijn hoofd geheven hield, en de bal had doen barsten. De tovenaar was daar niet blij mee geweest. Lyam lag nu echter op de grond. De arme man was niet geboren voor het gevecht. Ik ging naar Lyam toe om hem te helpen, maar ik zag dat de heks er eerder aankwam, en hem een beetje heelde. Vanaf dan gebeurden er vreemde dingen met Kareja. Elke keer dat ze één of andere magische kracht gebruikte, gebeurde er iets met haar. Het was niet duidelijk wat, maar ze was er zelf ook verbaasd over. Uiteindelijk waren de drie golems verslagen, met hulp van Xerania, en de tovenaar gooide de bol in het vuur. Dat kon ik er tenminste uit opmaken, want de man had zichzelf onzichtbaar gemaakt en was nu enkel herkenbaar aan de kleine eekhoorn die zich aan hem had vastgeklampt. Daarna zeeg de eekhoorn op de grond neer waaruit bleek dat de oude man verdwenen was. Donkere schimmen vulden de kamer en niemand wist wat te doen. Tot de groep de schaaltjes ging leeggieten die gevuld waren met het bloed van de gouden griffioen. Het beest kwam tot leven, en sprak ons aan.

Uit het gesprek werd duidelijk dat hij eigenlijk de heraud was die we hadden zien vervagen, maar ook dat die heraud eigenlijk de halfgod Oberon was, de zoon van Praios, die gestraft was en op d'aerde moest blijven. Maar nu stierf hij, en zei dat hij hoopte dat zijn vader hem nu wel zou ontvangen. En zo verdween hij. De sfinx, of Xerania, was nog in leven. Ze vertelde dat alles dat ze had gedaan, ze had gedaan omdat de tovenaar haar had verteld dat hij meer sfinxen zou maken, van de griffioenenzielen, die ze had verkregen. Ze geloofde steevast dat ze de laatste sfinx was. En toen huilde ze, en Lyam ving haar tranen op in een potje. En ze stierf.

Kareja wou nog eventjes magie doen in de grot. Dat deed ze door zichzelf te helen, waarop er een demoon verscheen. Ik en Lyam liepen heel snel weg. Dus ik heb geen idee wat er is gebeurd. Maar ze kwam wel even later met Thenaka uit de grot, dus ze leefde nog.

Klaar

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   ma dec 29, 2008 2:55 am

XXXIV De grot

We zaten een tijdje boven, te bekomen van alle gebeurtenissen, toen Thenaka duidelijk maakte dat hij Kareja een pact had zien sluiten. Thenaka zou daar nooit over liegen, wist ik, en onmiddelijk had ik besloten wat er moest gebeuren. Of Kareja besloot om het pact te bevechten, of ze omarmde het, en ik zou haar begeleiden naar een Praios-priester. De rest stribbelde een beetje tegen, maar ookal ging ik vaak in discussie met deze mensen, in dit geval was het mijn keuze, en niet die van hen. Geestelijke zaken waren nu eenmaal mijn territorium. Ze mochten zeggen wat ze wilden, maar ik zou stand houden. Uiteindelijk zei Kareja echter dat ze het pact wou beëindigen. Ik wou haar best wel een kans geven, en besloot haar te begeleiden naar een tempel die haar kon helpen. Maar dan zouden we eerst naar beneden moeten zien te komen. En dus gingen we zo op pad, de meningsverschillen achter ons latend. Aan Lyam's gordel preikte een nieuw zwaard dat hij had verkregen van Oberon. Wat een vreemde keuze om een bard uit te kiezen om het zwaard aan te geven. Misschien zag Oberon een zeker potentieel in de jongen. Hij was tenminste nog niet zwart van geest.

De sneeuw begon sneller te vallen, en de wind begon te waaien. Een sneeuwstorm wist ons heel snel te verwelkomen, en we zagen geen hand meer voor ogen. We hielden elkaar vast terwijl de grenswachter zocht naar een grot om in te schuilen. De sneeuw was hardvochtig, en koud. Maar uiteindelijk vond de grenswachter toch nog een grot, ookal had ik er niet meer zoveel hoop in gehad. De grot was donker, en koud, maar we zaten tenminste uit de wind. Men stak een vuurtje aan om zich aan te warmen, en we zagen dat de grot ook verder liep. De duisternis slokte uiteindelijk alle licht op, en we konden niet zo ver in de grot kijken. Maar Lyam en ik wilden op onderzoek uitgaan. Hij leek mijn nieuwsgierigheid te delen. Dus bonden we touwen rond ons middel, en gaven deze aan Thenaka. We staken een toorts aan en gingen verder de grot in.

Het touw was te kort. We waren zeer dichtbij, maar toch zo ver weg. Ik kon echter mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ik maakte mijn touw los, zei Lyam dat hij op mij moest wachten, en ging het kleine, laatste stukje, verder de grot in, mijn pad bijgelicht door een toorts. Ik voelde dat er iets in de kamer was. Ik kon niet thuisbrengen wat, maar de haren op mijn nek gingen er recht van overeind staan. Er was iets dat naar me keek. Ik besloot toch maar om om te keren. Ik vond Lyam zonder problemen terug,en ging met hem terug naar de anderen. Onderweg hoorden we dingen glibberen langs de muur. We hoorden het geluid van leven. Maar er was niets dat ons besprong, en tot mijn groot genoegen konden we eindelijk de groep terug bereiken. Die vreugde duurde echter niet lang, want al snel schoot het ding dat ons had gevolgd uit de schaduwen, op ons af. Het was een reusachtige spin. De krijgers bevochten het woeste, aanvallende beest onmiddelijk. Het was sterk, en ze hadden het heel moeilijk, maar uiteindelijk, kregen ze het beest toch te pakken. Het lag er een beetje zielig op de grond, maar ik durfde niet dichterbij komen. De spin zou plotseling wel eens recht kunnen springen, en aanvallen. Maar dat deed het niet. Kareja kende de spin, en zei dat het dier nog maar een kleintje was geweest. En dat betekende... dat er ook een nu heel kwade moeder moest rondspoken.

We gingen maar slapen. Het had geen nut om naar de spin te gaan zoeken, want misschien had Kareja het fout, of misschien was er geen moeder. De grenswachter zei ook dat er weinig kans was dat we een andere grot zouden vinden in dit weer, en als we dat al deden, dan konden in die grotten evengoed verschillende beesten wonen. Uiteindelijk was het beest uit deze grot al dood. Misschien dat het weer de volgende morgen zou zijn opgeklaard. Dan konden we de spoorzoeker vinden en teruggaan naar de graaf. Ik zou niet al te vast slapen, wetende dat Kareja net een pact had gesloten met een demoon. Ik denk dat Thenaka haar ook niet uit het oog zou verliezen. Daan leek haar meer dan ooit te vertrouwen, en was gerust. Kareja werd halverwege de nacht wakker door een nachtmerrie. Ik hield haar heel goed in het oog. Uiteindelijk ging ze terug slapen. Ze had nog niets fout gedaan. Ja, nog niet.

Ik werd weer wakker toen er plotseling een groot net over mij heen lag. Het plakte verschrikkelijk en was heel sterk. Ik zag dat ook Lyam met een gelijkaardig iets sukkelde. Het was nu donkerder dan eerst, maar het gloeiende paar ogen was onmiskenbaar. Het leek erop dat de mama-spin ons had gevonden. Wakker geschoten door de plotsleinge verschijning was het wederom aan de krijgers om het beest staande te houden, en te voorkomen dat we zouden worden opgegeten. Maar ze hadden al zoveel moeite gehad met het kleintje. Ik vroeg me af of ze het wel zouden halen. Ik en Lyam werden bevrijd tijdens het gevecht. Ik wist niet goed wat er juist allemaal was gebeurd, maar uiteindelijk was ook deze spin klaar met leven. We gingen desondanks toch terug slapen, want de volgende dag was niet meer ver weg. En we moesten zo snel mogelijk terug, want er kwam immers een leger aan.

XXXV Terug in de burcht

De sneeuwstorm was die volgende dag inderdaad verdwenen, en dus spoedden we ons naar de burcht toe. De spoorzoeker hadden we al snel teruggevonden. Hij was verbaasd dat we terug waren geomen. Hij was bang dat we waren bevroren in die sneeuwstorm. Maar omdat we at niet waren, moesten we snel verder, en dus leidde de spoorzoeker ons wederom het juiste pad op. Onderweg kwamen we tot onze verbazing Wolfhart tegen, die we bij de paarden hadden gelaten. Hij had onze nobele dieren ook bij. Goed, want ik begon me al zorgen te maken. We legden hem uit wat er juist was gebeurd, en dat we naar de graaf moesten. Wolfhart had de man blijkbaar ook al ontmoet, en dus was verdere uitleg ook niet nodig. Alles gebeurde razendsnel omdat het ook snel moest gebeuren. We wilden naar Werheim gaan, om ze te waarschuwen voor het aankomende leger, maar toen moest uiteraard de graaf weer lastig doen. Al die mannen van hogere rang, of adel, wilden altijd zo graag laten zien hoeveel macht ze juist hadden door mensen eventjes te beschuldigen en op te sluiten voor niets. Deze graaf was niet anders, en hij beschuldigde ons brutaal voor de ontvoering en moord op Xerania.

Het lef! Hij durfde mij – een Tsa-priester – beschuldigen van moord? Spijtig genoeg moest ik bekennen dat het niet de eerste keer was. Nog maar een bewijs van hoe ver edellieden gaan om hun “geweldige macht” te tonen. Zelfs Dextrot was niet anders. Dat had ik beseft toen hij als “grap” zei dat we werden onthoofd, en ons de nacht had laten doorbrengen in de cel om daar over na te denken. Het steeg allemaal naar hun bolle hoofden. We zeiden de graaf dat we geen tijd hadden voor zijn beschuldigingen, maar de graaf, die niet doorhad hoe onbeduiden hij juist was – wou ons niet laten gaan. De blaaskaak. We legden uit dat de spoorzoeker de hele tijd bij ons was geweest, en dat die toch zeker niet blind was! Uiteindelijk stortte de graaf in. Hij zei dat Xerania was weggelopen van hem. En als dat werkelijk zo was geweest, dan wist ik daar ook een heel goede reden bij te voegen. Maar die slikte ik terug in. We wilden weggaan maar de paar soldaten die de armzielige graaf nog over had, blokkeerden ons de weg.

En toen hoorden we geschreeuw, en geroep. Dat was vreemd. Ik keek uit het raam en zag tot mijn verbazing een paar mannen in het zwart staan. De mensen die in de burcht leefden werden afgeslacht. We liepen naar buiten, tegen het protesteren van de graaf in. We konden die mensen misschien nog helpen. Maar zodra we buiten kwamen, werden we overal tegengehouden door de mannen in het zwart. Het werd een lang, en moeizaam gevecht. Ik voelde me meer dan ooit hulpeloos. En toen kregen we hulp uit een wel zeer onverwachte hoek. We kwamen Ferdok tegen. Nu ja, eerst probeerde hij mij aan stukken te scheuren. De man leek gek te zijn geworden, en riep dat ik zijn dochter had vermoord. Hij haalde verschillende keren naar mij uit, maar hij was veel te langzaam. Hij zei kwaad dat doordat ik de Praios-priesters op hem had afgestuurd, zijn dochter nu dood was. Hij zei dat hij me had gewaarschuwd dat ik niets mocht gaan zeggen. Maar hij vergat dat hij dat eigenlijk niet had gedaan. Ik was niet mee naar binnen gegaan, en had dus niet met hem gesproken. En Ferdok had dan zijn dochter maar niet mee moeten nemen naar een plek waar hijzelf explosieven had neergezet voor het geval dat. Als er iemand verantwoordelijk was voor de dood van zijn dochter, was hijzelf dat. Maar die gedachte hield ik maar voor mezelf.

We hadden belangrijker dingen te doen, namelijk die mannen tegenhouden. Ferdok zei dat er mensen gevangen gehouden werden, en dat we hem moesten helpen om die mensen te bevrijden. We gingen akkoord. Maar hij zei dat hij ons eenmaal bij de gevangenen niet kon helpen. Hij zei niet waarom. Ik vond het niet zo erg. De manier waarop hij “hielp” vond ik toch maar niets. We gingen met hem mee, maar ik zorgde ervoor dat ik achter de naamloze gewijde bleef lopen. Hij mocht maar eens iets proberen. Ferdok leidde ons naar binnen, langs bepaalde tunnels, tot we uiteindelijk in een kamer kwamen waar er mensen zaten, gehuld in een zwarte cape. Eén van hen zag er wel heel bekend uit.

XXXVI Beslechting

Thenaka wandelde af op de statige figuur die de leider was van de bende. Deze leider stak zij hand op om aan te duiden dat hij alleen zou vechten tegen Thenaka. En zo begon wederom het gevacht tussen Thenaka en zijn vader. Ondertussen vochten de anderen met het onderkruipsel dat luisterde naar de bevelen van de man. Ik vroeg me af hoe Thenaka ooit zou kunnen winnen. Hij kon de vorige keer niet winnen, en deze keer had hij nog een hand minder ook. Een paar mannen werden naar buiten gelokt. Tot mijn verbazing, was Thenaka aan het winnen. Hij leek sterker te zijn dan zijn vader. Misschien dat hij ergens een nieuwe kracht had gevonden. En toen gebeurde het. Hij versloeg zijn vader, en zonder er ook maar een seconde over na te denken, scheidde hij het hoofd van zijn vader van diens romp. Thenaka werd steeds erger en erger. Hij werd ook bloeddorstiger. Als één man, stopten de andere mannen met vechten en bogen diep voor Thenaka. Ze legden uit dat hij nu hun nieuwe leider was omdat hij hun vorige had verslagen. Wederom dorsste Thenaka naar moord, en droeg ze op om zelfmoord te plegen. En did deden ze ook. Thenaka had net zichzelf verraden, en de Godheid die hij zo aanbad. Boron. Het leek wel alsof hij steeds meer werd wat hij haatte. Het evenbeeld van wat nu ooit zijn vader was geweest.

We volgden Ferdok de volgende kamer binnen, waar de gijzelaars zaten. Ferdok liep onmiddelijk naar een bepaalde vrouw om haar te bevrijden. De vrouw leek verbaasd, en Ferdok vertelde haar dat wij hun hadden bevrijd. Hij deed alsof hijzelf een onbelangrijk figuur was, die nog nooit een gevecht had gezien, laat staan had meegemaakt. Wat was hier aan de hand. Ferdok gooide ons een dreigende blik toe, die duidelijk zei dat als we iets zeiden, we dood zouden zijn. Wat een kwal. Wie deze vrouw ook was, hij hield haar wel mooi voor de gek. Hij zou zich moeten schamen. We bevrijdden de anderen, en gingen uiteindelijk terug naar buiten. Er waren nog wat mannen overgbleven, die Thenaka's bevel tot zelfmoord niet hadden gehoord, omdat ze buiten zaten. Ik wachtte af wat Thenaka zou doen. Ik was verbaasd toen hij ze “in dienst nam” en aanvaardde als zijn manschappen. Was hij nu helemaal gek geworden? Deze mannen waren zeer snel van kant gewisseld. Ze gaven er niet om wat ze moesten doen. Als Thenaka werd vermoord door iemand, en die iemand gaf de mannen het bevel om ons allemaal te doden, zouden ze dat ook doen. Maar Thenaka was egoïstisch en zelfzuchtig als altijd, en dacht duidelijk niet na over de gevolgen die zijn daden zouden kunnen hebben. Dat, of hij gaf er gewoon niet om.

We besloten om terug te gaan naar Wehrheim. We negeerden de dwaze tegenstribbelingen van de nutteloze graaf en vertrokken. Voor we de plaats echter goed en wel achter ons lieten, zegende ik het kind dat ik had moeten achterlaten, daar dit nog niet was gebeurd. Daarna liet ik het achter in de stad. Het zou toch genadeloos worden afgeslacht als het bij mij zou blijven, zoals alles dat doet, tegenwoordig. Onderweg zagen we het leger. Het was gigantisch. Een grote zwarte wolk, dreef boven de vijandige gelederen. Het leger bestond voornamelijk uit ondoden en pacteerders. Een stukje had zich afgesplits van de groep, waarschijnlijk om een naburig stadje aan te vallen. De toekomst zag er niet bepaald rooskleurig uit. We haastten ons verder naar Wehrheim, waar we het leger konden vertellen wat er juist naar ze toe kwam. We hadden ook Ferdok bij ons, die zich zeer afzijdig hield, omdat die vrouw van hem er ook bij was. Hij had gezegd dat we mochten doen wat we wilden, zolang we zijn vrouw maar niets vertelden. En als we dat deden, zou hij ons doden. Hij was dus even vriendelijk als anders.

In de legerstad aangekomen gingen een paar mensen onmiddelijk het nieuws vertellen. Ik vond het belangrijk om eerst Ferdok naar de Praios-tempel te brengen, samen met het zwaard dat Ferdok had willen stelen. Ferdok deed niet moeilijk, en kwam gewoon mee. Hij vertelde zijn vrouw wel dat hij terug zou komen, zoals hij dat altijd deed. Ik wou dat hij iets minder zeker van zijn stuk was. Maar het was niet moeilijk. Ik leverde hem af. Ze sloten hem onmiddelijk op, en borgen het zwaard ook op. Ik herkende de banstraler die Kareja had willen opsluiten. Hij deed zeer smalend, maar ik negeerde hem, en vertrok weer. Zijn arrogantie kon mij immers dingen doen zeggen die me in een cel zouden laten belanden. Daan was ook met mij meegegaan. Hij offerde iets aan Praios en ging daarna terug weg. Ik waarschuwde hem nog, maar zoals altijd luisterde hij niet naar mij en ging gewoon verder. En onmiddelijk kreeg hij het teken van de zondaar terug.

Klaar!!!

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   zo feb 08, 2009 4:15 am

XXXVII De missie

Ik besloot om nog even naar de Tsa-tempel te gaan om een karmaqueste te kunnen uitvoeren. Dit duurde normaal gezien een week, maar ik had net de tijd. Ik bedacht dat ik die extra karmale kracht wel kon gebruiken...

Ik had een vreemd visioen tijdens deze queeste. Tsa, in al haar goddelijke glorie, gaf me een geschenk. Het was een broche, in de vorm van een vlinder. Het ding zag eruit alsof het veel waard zou kunnen zijn. En toen werd ik wakker. Vreemd genoeg zag ik, toen ik mijn hand opende, dat ik diezelfde broche vasthad. Een andere priester vertelde me dat ik te vroeg was wakker geworden, en dat ik snel terug verder moest gaan doen, maar ik dacht niet dat dat nodig zou zijn. Diezelfde dag waren mijn ... partners bezig met andere dingen, en dus kon ik ze niet bereiken. Ik besloot de nacht rustig door te brengen in een warm, zacht bed. De volgende dag zou ik worden verwacht bij Dextrot, die vreemd genoeg ondertussen vanuit Gareth was aangekomen, samen met Rohadja. Ze hadden dus gehoord van het aankomende leger, en waren ons te hulp gekomen. Al bij al wel nobel, maar Rohadja leek dit alles niet goed doordacht te hebben. Ze was immers de toekomstige keizerin. Als ze zou sneuvelen in de strijd, zou de chaos niet te overzien zijn.

De voorgenoemde volgende dag vond uiteraard plaats, en dus konden we met z'n allen, naar Dextrot. Die zat daar samen met twee andere leden van de KGI, Gulmond en Xera. Voordat we goed en wel begonnen met luisteren naar wat Dextrot te zeggen had, vertelde Kareja, die ondertussen ook bevrijd was van haar demonisch pact, dat de naam van de demonische zwarte wolk boven het leger Rahastas was. Niemand begreep waar ze die informatie vandaan had, maar kom. Dextrot zei dat we de echte naam van die demoon zouden moeten kennen, zodat we hem konden vernietigen. Die naam stond blijkbaar op een artifact, ergens in een Praios-tempel, onder zware bewaking. Toen kwam de krijgsheer langs, en Dextrot verzocht ons om eventjes buiten te wachten. Na 10 minuutjes was de man weg, maar onmiddelijk ging de banstraler Rafarian naar binnen, na een vuile blik op Kareja te hebben geworpen. We hadden evengoed niet buitengesloten kunnen worden. Al snel werden de twee zeer luidruchtig. Het was wel duidelijk dat hun ruzie over het artifact ging, dat Dextrot nodig had.

Toen kwam de banstraler kwaad naar buiten, en liep weg, waarna wij terug binnen werden geroepen. Dextrot zei dat we wel gemerkt moesten hebben dat Rafarian, niet echt een positief antwoord had gegeven. Toch moest hij dat artifact hebben voor het 'grotere goed', en dus moesten er weer wetten overtreden worden, iets waar Dextrot geen twee seconden over moest nadenken. Maar uiteraard waren wij diegenen die voor hem ons hand in het vuur zouden moeten steken. Hij zei dat we het artifact – een knol – moesten gaan stelen in de Praios-kerk. Hij zei dat dat van het grootste belang was. Spijtig genoeg was in die tempel de man aanwezig die we al zo goed kenden, namelijk Grifpurga. Hij kende ons, en tja. We zouden toch binnen moeten sluipen. Eerst wilden ze iemand zich doen voordoen als een Praios-priester, maar dat ging wat ver, en al zeker omdat we herkend zouden kunnen worden. Dan zou diegene die zich als Praios-priester had voorgedaan, een zware prijs moeten betalen. Maar we zouden het doen. Het moest, om de levens van veel mensen te kunnen redden.

XXXVIII Het doolhof

Het Praios-complex stak een beetje lastig in elkaar. Het was meer een ommuurd paleis, waar ook gewone mensen konden wonden, maar dan in de glorie van de Praios-tempel. Voorbij die muur geraken was niet onmiddelijk een probleem. Het was daar dat we Grifpurga zagen. Hij vroeg ons wat we kwamen doen, en ik zei dat we naar de tempel wilden. Dat mocht, en dus geraakten we moeiteloos binnen. Het was echter al laat en donker, en ons plan uitvoeren zou op dat moment moeilijk gaan, dachten we. Dus klopten we aan bij de eerste de beste boerderij om te vragen of ze geen plakje hadden in het hooi voor ons om in te slapen. Dat was geen probleem. Maar die boeren waren echt een groepje mensen die graag hun mond voorbij praatten! De boer die ons een slaapplaats had gegeven vertelde dat een paar ghouls hadden geprobeerd het Praios-complex binnen te dringen door een tunnel te graven. Die was nu vrijwel dichtgegooid, maar hij vond het een eigenaardig gebeuren. Ik en Lyam gingen ernaar kijken, samen met de boer die maar wat graag de weg wees. Los zand was nog gemakkelijk weg te halen, dus een tunnel kon zeer bruikbaar voor ons zijn. En zo kwamen we aan het plekje dat de boer aanwees.

Het leek ons een goed plan, om die tunnel te gebruiken om binnen te komen. We gingen mee terug met de boer en waarschuwden iedereen. Als we 's nachts die tunnel terug opgroeven, zou het niet zoveel opvallen. Zo gezegd, zo gedaan, en we begonnen aan de tunnel. We konden er uiteindelijk allemaal doorheen, en volgden de tunnel door tot aan een grote ijzeren poort, die er niet uitzag alsof die vriendelijk voor ons uit de weg zou willen gaan. We kregen 3 raadseltjes. Ik slaagde erin om één van de raadseltjes op te lossen. Ik vond die dingen altijd wel leuk, zelfs in zo'n situatie. De deur ging uiteindelijk open. Lyam had zich verkleed in een Praios-priester, omdat niemand hem hier toch kende, zelfs Grifpurga niet. Tja, als hij dat wou doen, dan moest hij dat maar doen.

De weg was verschrikkelijk moeilijk te vinden. De wegen leken allemaal op elkaar, alles kwam op de meest vreemde plekken uit, en veel gangen liepen dood. We zagen kamers die er eerst fascinerend uitzagen, maar later gewoon frustrerend werden. Het was een zeer moeizame toch en we vonden niets. Het werd echter erg stresserend, toen er nog andere mensen begonnen rond te lopen. Praios-priesters. Er was ergens nog een trap waar we op konden, en dat leek op een gegeven moment onze enige manier om daar uit te geraken. We wilden niet gevangen genomen worden. We moesten dat artifact vinden, en ookal hadden we op die trap een geluid gehoord, we moesten onze angst maar overwinnen. Daarboven zat een soort oude geestman, die smekend aan Lyam vroeg om hem vrij te laten. Lyam zei dat hij hem zou vrijlaten, als de geest ons naar de artifactenkamer wees. Ja... ik wist dat hij loog, maar de geest was vrij naief, of misschien wanhopig, en ging akkoord. Hij wees ons de weg naar de kamer waar we moesten zijn, of toch tot er vlak voor, omdat hij niet verder kon, of mocht komen. Toen vroeg hij wat Lyam hem had beloofd. Ik had medelijden met de geest, en ik bevrijdde hem met een wonder van Tsa, in plaats van Praios. Het werkte even goed. De geest bedankte me, en loste op in het niets. En wij hadden onze bestemming bereikt.

XXXIX De plagenknol

We zagen tot onze verbazing dat verscheidene ghouls een groot gat aan het maken waren dat leidde naar de artifactenkamer. De domme wezens stortten zich op onze groep toen ze ons zagen, maar ze werden snel genoeg verslagen door onze handige vechters. Het moest ook snel gaan. We hadden niet veel tijd meer, dacht ik. We gingen de kamer binnen. Er stond veel waarvan we niet wisten wat het was. Ergens zag ik het zwaard waarmee Wolfhart Thenaka bijna mee had gedood toen het zwaard hem onder zijn controle had gehad. Gelukkig was die crisis voorbij en stond het zwaard nu hier. Ik zag een hele mooie spiegel staan en raakte die eventjes vluchtig aan. Onmiddelijk vormde er zich voor mij een groot beest, uit het niets. Het vroeg naar mijn bevelen. Ik was blij dat hij me niet zou bevechten, maar ik wou hem ook geen bevel geven. Wie weet wat er dan zou gebeuren! Uiteindelijk vervaagde het monster weer. Lyam had ergens een mooie gordel voor zichzelf gevonden, en had die omgedaan. Hij kon deze nu echter niet meer loskrijgen. Tja, dan moest hij maar voorzichtiger zijn geweest. Maar het was die knol, de plagenknol, die we echt moesten hebben.

Op een kussentje, onder een soort van licht, zag ik wel een soort van gigantische dennenappel liggen die misschien wel iets weg had van een knol. Ik wilde het ding pakken, maar zodra mijn vingers in het licht gleden was ik ze kwijt. Verbluft staarde ik naar het resultaat. Het deed geen pijn of zo, de vingers waren gewoon weg. Dat zou ik geen tweede keer proberen. We probeerden vanalles, we probeerden het licht te weerkaatsen met de spiegel, maar die vloof in tweeën, we probeerden er naar te slaan met een stok, maar die verdween ook. Maar uiteindelijk kregen we het ding eruit, en Lyam kreeg zijn gordel uit, waarna hij die braaf teruglegde. En nu moesten we weg zien te komen. We wisten niet goed waar we heen gingen, maar iemand wist nog ergens een luik zijn. We volgden deze kleine mogelijkheid, en toen we did luik opendeden, zagen we de hoog-inquisiteur van de Praios-kerk liggen te snurken in een bed. Die konden we best niet wakker maken. Gelukkig slaagden we er allemaal in om langs hem te sluipen. De man sliep blijkbaar heel vast, en had niet veel last van een geweten. Des te beter voor ons. We gingen het gebouw uit.

Nu moesten we nog voorbij de muren. Er waren overal bewakers, en als die ons zagen met de plagenknol, zou dat onze beste dag niet zien. We klommen op de muren, uit het zicht van de bewakers. Toen deze bewakers iets dichterbij kwamen, zagen we dat het mannen waren van het zonnelegioen. De mannen die nog steeds achter Thenaka aanzaten. Ze waren geen bewakers, ze waren gewoon te weten gekomen dat Thenaka hier was. Door hem liepen de dingen toch steeds weer verkeerd. We sprongen naar de andere kant van de muur. Deze was niet al te hoog. Enkel ik en Lyam waren er afgesprongen. Ik wist niet goed wat de rest aan het doen was, maar wij gingen verder. Ik had de plagenknol, en dat was momenteel wel het belangrijkste, dus slopen we verder. En toen, plotseling, klonk er een alarm. We waren ontdekt. Ik slaagde er nog in om mijn paard op tijd te bereiken. Ik sprong erop en reed zo snel als ik kon naar Dextrot. Ik gebruikte de kracht van de Aves-hoeven van mijn paard, zodat ik sneller was dan wie dan ook, en niet kon achtervolgd worden. Spijtig genoeg voor Lyam, kon hij mij ook niet volgen. Maar eens ik veilig terugwas, zou ik wachten op de rest voordat ik naar Dextrot ging. Ik had het immers zonder hen ook niet gekund.

IVX En zo begint het

Uiteindelijk kwam de rest er ook aangestormd. Vraag me niet hoe, we waren gehaast. Dus gingen we het kantoor van Dextrot binnen met de plagenknol. Deze was zeer blij met het resultaat. We vertelden dat we waren ontdekt, maar hij zei dat hij daar wel voor zou zorgen. Al snel kwamen Grifpurga en Rafarian ook het kantoor van Dextrot binnengestrompeld. Ze beschuldigden ons terecht van de diefstal van de plagenknol. Ze vertelden Dextrot dat hij het ding onmiddelijk moest teruggeven. Hij zei dat hij niet wist waar ze het over hadden. Met zijn zilveren tong en gladde woorden, slaagde hij er uiteindelijk in om de twee – zijnde in razernij – weg te sturen, zonder enige gevolgen... voor ons dan toch. Maar Dextrot zei dat we er ons niets van moesten aantrekken en dat we het goed hadden gedaan. Hij zei dat we misschien onze overwinning hadden gered. Ik ging nog snel even naar de Tsa-tempel. Want ookal had ik het zo goed weten te verbergen voor de twee kwade Praios-priesters, ik had nog steeds mijn vingers niet terug. Dextrot kon er ook niets aan doen, dus moest ik maar de hulp van mijn geliefde godin inroepen. In de tempel hielpen ze me graag. Het was zeker geen geval geweest zoals dat van Thenaka. Ik had het ook zelf kunnen doen, maar ik spaarde mijn karma liever uit voor de oorlog die voor de deur stond. Ik zou die nog nodig hebben. Ik bedankte de priesters die me hadden geholpen, en haastte mij naar de vergadering die nog plaats moest vinden. De vergadering over die dreigende oorlog.

Het eerste belangrijke punt was van die demoon afgeraken. Er was al een plan opgesteld. Iedere tovenaar en priester met Exorcisme moest dit ook doen, op deze demoon, tegelijkertijd, met de kennis van zijn echte naam, zodat we de gevaarlijkste dreiging al konden uitschakelen. Dat was waar ik me ook op zou moeten concentreren. Daar kon ik helpen. De Praios-priesters lagen uiteraard weer dwars. Ze vonden het geen goed plan. Ze wilden niet helpen, en hun eigen willetje gaan doordrijven. Dat betekende dus geen exorcisme van hun kant. Dextrot was er niet goed gezind op, maar veel kon er niet aan worden gedaan. Ook werd er nog beslist dat de kwetsbare priesters, zoals dus de Tsa-priesters, een lijfwacht zouden meekrijgen. En tot mijn grote verbazing was die van mij, de zeer bekende Ayla van schaduwgrond. “Mijn leven behoort u toe” zei ze.

Wat zeg je me daarvan? Klaar!

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   ma maa 23, 2009 2:29 am

IVXI Aanbod van een vijand

We waren ons aan het klaarmaken voor het grote gevecht. Dé veldslag van de eeuw. En zelfs ik voelde een beetje de behoefte van enige bescherming, hoe mager die ook mocht zijn. Dus vroeg ik of ik een schildje kon krijgen om me toch een beetje te kunnen beschermen tegen pijlen. Ik kreeg er ééntje. Het was niet te zwaar, zodat ik er niet trager door zou worden. Ik weet niet wat de rest juist bij elkaar raapte, maar ik hoopte dat ze zichzelf goed zouden kunnen beschermen. Het leek gekkenwerk. Wat gingen een Tsa-priesteres en een bard dan ook in een grote oorlog doen? Maar misschien konden we ergens een klein verschil maken, en dat zou het waard zijn.

Nadat we onszelf hadden voorzien van nieuwe materialen, moesten we naar Dextrot. Er was een soort bijeenkomst waar werd uiteengezet wat er ging gebeuren. Oorlogstactieken. Wederom niet echt mijn doelgebied, maar ach, ik wou op dit moment liever de anderen blijven vergezellen. Daarbij moest ik ook weten waar ik moest zijn, als ik wou helpen om de demonenwolk uit te bannen. Dit alles en meer werd besproken. Eerlijk gezegd was het moeilijk om mijn concentratie erop te houden. Hoe dichtbij het ook was, oorlog leek me niet te kunnen boeien. De dingen werden plotseling een stuk opzwepender toen er een vreemde boodschapper kwam binnengewandeld.

De man droeg een zwarte cape en vertelde dat zijn boodschap afkomstig was van Helme Haffax. De heptarg wilde ons laten weten dat hij 5000 goed getrainde soldaten klaar had staan om ons te helpen vechten in de grote strijd. Hij had enkel wel een voorwaarde. Die voorwaarde was een vrij Maraskan... onder zijn bewind, uiteraard. Rohadja dacht erover na. De anderen dachten erover na, en uiteindelijk gingen ze tot mijn groot ongenoegen akkoord. Maar de man vermelde nog een klein detail dat hij had vergeten te vermelden. Iemand van in de kamer waar wij ons in bevonden, moest een pact aangaan. Ayla van Schaduwgrond protesteerde onmiddelijk. Ze zei dat dit niet zo kon, en dat het godslasterlijk was om er zelfs maar over na te denken. Rohadja zei dat ze moest zwijgen, en dat dit niet in haar handen lag. Kwaad liep Ayla weg. Sindsdien heb ik haar niet meer gezien. Uiteindelijk kwamen we toch tot het besluit dat een pact onaanvaardbaar was, en stuurden de boodschapper terug. Hij verwenste ons, bedreigde ons, en vertrok. Niet lang daarna gingen Thenaka en Daan ook naar buiten. Misschien hadden ze genoeg gehad.

Maar ze kwamen nog terug, en ongeveer op die tijd kwam er nog een verassing. Er kwam een harnas het kamp binnengereden, met onder zijn arm een helm, waarin een ondood hoofd ons begluurde met dodelijke haat. Het hoofd werd naar ons toe geworpen, en zodra het neerkwam klonk een luide stem die ons bedreigde. Het was een gezant, bedoeld om angst te zaaien onder de troepen. Het was een afschuwelijk, smerige truuk. Maar ik vergat deze al snel, en hoopte dat het leger dit ook zou doen. Angst was immers niet welkom op een slagveld, en van hun kant moesten we die zeker niet verwachten. Ik keerde terug naar onze tent, net als de rest van de groep. We deden maar wat, niets echt belangrijk. Ik wou al bijna gaan slapen, toen zij de tent betrad. Het was Rohadja. Het jonge meisje, nog amper volwassen, zag er klaar uit voor de strijd. Maar ze was nog maar een kind. Zoals altijd kon ik haar wens om mee te vechten alleen maar afraden. Zij was immers de toekomstige keizerin. Zelfs als we de oorlog zouden winnen, zou zonder haar het keizerrijk nog meer in de problemen komen. Maar ik heb haar dat al vaak gezegd. Mijn woorden drongen nooit tot haar toe. Dus zweeg ik. Ik wou haar moraal toch nog een beetje intact laten.

Ze had een verzoek voor ons. Ze zei dat ze een speech wou geven voor haar leger, de volgende ochtend, maar dat ze niet goed wist wat ze moest schrijven. Ze was nerveus. We hielpen haar. Alles dat de moraal naar omhoog kon krikken, kon alleen maar welkom zijn. Het duurde een tijdje maar uiteindelijk was hij klaar. Rohadja vroeg aan mij of ik nog even mee wilde gaan naar de tempel. Dat leek me een goed idee. Ik stemde in. Ze had waarschijnlijk iemand nodig om bij haar te zijn, maar stiekem had ikzelf ook de behoefte om nog een groet te brengen tot mijn Godin. Deze gebeden sloten de dag rustig af. Misschien wel de laatste die zo eindigde. Misschien wel de laatste...

IVXII Het begin

De volgende dag werd me verteld dat ik een nieuwe beschermer meekreeg, daar Ayla weg was gelopen. Ik vond het vreemd dat een vrouw als zij, haar plicht zo verzuimde. De man zijn naam kan ik me niet meer herinneren, maar hij had vreemd genoeg een deuk in zijn hoofd. Het was een bijna lachwekkend gezicht. Maar daar het enkel een deuk was, en de man nog rondliep, was hij wast de overwinnaar geweest in vele gevechten. Hij was vast een betrouwbaar krijgsman. Ik wilde niet echt een krijger die om me heen dwarrelde, maar als ze dat zo liever hadden, dan moest dat maar. Ik zou toch proberen niet al té erg afhankelijk van hem te zijn.

Het leger begon zich klaar te maken voor wat er traag maar zeker aankwam. Ergens zag ik Rondrian met Dextrot een discussie houden. Rondrian wilde graag bij Rohadja blijven om haar te beschermen, maar Dextrot zei dat hij geen goed genoeg krijgsman was en dat hij zeker zou sneuvelen. Hij moest terug naar de achterhoede. Toen Rondrian aandrong, werd Dextrot wel zeer persoonlijk. Hij zei dat hij wel wist hoe Rondrian naar Rohadja keek, en dat hij haar nooit zou kunnen krijgen. Ze was de toekomstige keizerin, en hij vond dat Rondrian haar verre van waard was. Hij zei dat Rondrian zijn fantasietjes moest laten varen, en moest leren om bevelen op te volgen. Rondrian rende weg, en Dextrot ging een andere richting uit. Ik was ontzet. Ik weet dat Dextrot alles doet om te bereiken wat hij wilt bereiken, maar soms leek de man geen hart te hebben. Was hij vergeten wat het was om iemand lief te hebben. Dextrot werd oud, denk ik. En zijn hart was al een lange tijd verbitterd.

Het duister leger kwam eraan. De donkere wolk Rahastas werd zichtbaar en kondigde een duister periode aan. Dit was het moment waarop we niet mochten falen. Al het voorgaande dat we hadden meegemaakt was niets vergeleken bij deze oplaaiende strijd. Als we enige belang hadden, dan leek dat te zijn in deze strijd, als was het ieder op zijn manier. Rohadja nam plaats op een verhoog en maande iedereen tot stilte, zodat ze de speech kon voorbrengen die we samen hadden geschreven. Dit is wat ze zei:

Onderdanen, krijgers, vrienden,

Vandaag zal 10 000 man voor het keizerrijk vechten, niet alleen voor mij, maar voor al jullie gezinnen, jullie land, en je toekomst.
Vandaag zullen velen van jullie plaats nemen aan de tafel van de vrouwe.
Als een storm zullen wij door hun gelederen trekken, zwaarden en bijlen als donder en bliksem.
Als dienaren van de goden kunnen ze ons lichaam raken, maar nooit onze ziel.
Maar weet, zij die hier vandaag hun moed bewijzen, zullen PRAios schijf zien branden.

Voor ons land, voor onze vrienden,
Voor de vrijheid!


Het gewenste effect was bereikt. Duizenden mannen en vrouwen schreeuwden hun longen uit hun lijf. Iedereen stak zijn wapen in de lucht en juichte met de rest mee. Lyam hief een dwerg op die niet boven de rest uit kon steken, zodat deze ook volop zijn moed kon laten blijken. Het was een enkel, kort moment van vreugde, een teken van het goede leiderschap dat Rohadja in zich had, ondanks haar jeugdigheid. Het was moeilijk toe te geven, maar haar aanwezigheid had een goede invloed op de mensen om haar heen. Misschien was ze toch op haar plaats op het slagveld, en niet ergens in een kamertje in het paleis in Gareth. Ze was de vleesgeworden hoop van de mensen. Dat deze niet ten onder mocht gaan. De elfen liepen naar de rivier waar het ondodenleger over heen moest, en maakten zichzelf, zoals zij hij noemden, één met het water. Het leger plaatste zichzelf in het aangezicht van de dood, klaar om te sterven voor het keizerrijk. Rohadja zag er vorstelijk uit tussen haar manschappen. Paarden briesten, de wind waaide, en bladeren vlogen over het slagveld. Het gras was nog nat van de dauw en Praios' schijf stond nog niet lang aan de hemel. En zo begon het.

IVXIII De grote slag

Niet alle ondoden konden over het kleine bruggetje dat de rivier overstak. Anders zouden ze er veel te lang over doen, en klaarstaan voor de slachting. Dus staken ze ook gewoon door het water over. Een grote fout. De elfen in het water... ik weet niet wat ze deden, maar de ondoden hadden hoe dan ook moeilijkheden. Dextrot zei dat we nog moesten wachten met aanvallen. Ik weet niet waarop hij juist wachtte, maar ik dacht wel dat het slim was om naar hem te luisteren. Desondanks de moeilijkheden aan de rivier, kwamen de ondoden onverbiddelijk verder. Waar er één verdween, kwamen er 5 terug voor in de plaats. Dextrot zei nog steeds dat we moesten wachten, maar dit keer luisterde niet iedereen. Wachten is het ergste deel van de strijd en dus - gedreven door angst – vielen bepaalde troepen aan. Dextrot schreeuwde dat ze moesten terugkwamen, maar zijn bevelen werden genegeerd. Ze vielen aan, en werden neergemaaid. Ze waren net kippen die naar de slachtbank werden geleid. Wat erger was, was dat de neergemaaide soldaten, terug recht kwamen te staan, en onze kant op begonnen te strompelen. Ze waren op slag van vriend naar vijand veranderd.

De manschappen begonnen te deserteren. De laffste soldaten liepen weg bij het zien van hun vrienden, die zich tegen hen keerden. Misschien zagen ze ertegenop om tegen hun vrienden te vechten, of misschien wilden ze zelf geen ondoden worden. Wat het ook was, ze liepn weg. Dextrot zei dat we ze moesten laten. Ze zouden zijn gesneuveld en dan was hun leger gewoon sterker geworden. Misschien was het beter zo. We begonnen te bewegen. We moesten bij de basis van Rahastas zien te geraken, zodat we hem konden verbannen. Als we dat konden doen, zouden de ondoden, geraakt door Praios' schijf beginnen te verkruimelen, en af te breken. Ze zouden toch minstens verzwakt worden. Dit was het effect dat we hoopten te bereiken. En dus trachtten we door te breken. De tovenaars en priesters werden beschermd daar zij de belangrijksten waren in deze missie. Zonder hen was er geen hoop. Ik was trots dat ik kon helpen.

Het was geen gemakkelijke klim. Er werden vaak pijlen en andere troep afgeschoten. De slachting was gigantisch. Overal vielen soldaten neer om even later weer als ondode te herrijzen. We hakten wel op hun leger in, maar diegenen die werden verslagen werden al snel vervangen door onze doden. We zagen ook Razazor, de ondode draak rondvliegen. Het zag er steeds hopelozer uit, maar we bleven doorgaan. Op een gegeven moment zagen we in de verte een gigantische berg schedels op ons afkomen. Het was een luguber en vreemd gezicht. Het ding rolde in een rechte lijn, onze kant uit. Ik weidde een stukje grond waar de piramide over heen zou rollen, en merkte tot mijn genoegen dat het effect had. De piramide stortte in elkaar. Eén enkele schedel geraakte tot bij ons, en beet in Wolfhart's vinger. Nog steeds worstelden we verder. Meer soldaten sneuvelden, meer soldaten deserteerden, en wij kwamen steeds dichter bij het hart van het leger. We kwamen één van de belangrijkere ondoden tegen. Eentje die leek te worden gevoed door een soort van sieraad. Daan schoot hem te pletter met één van de pijlen die hij had gevonden in de Praios-tempel. We zagen spijtig genoeg Rondracyl sterven. Hij was een goede krijger geweest.

Maar toch, na alle verdriet, pijn, en moeite, geraakten we waar we moesten zijn. We waren bij een grote ketel waar Rahastas uit leek op te borrelen, en begonnen onze gebeden en spreuken. Rondom ons stierven dappere soldaten, die hun leven opofferden om ons te beschermen. Het was moeilijk om ons te concentreren, maar uiteindelijk was het ons gelukt! En dit was te danken aan allen die hadden meegeholpen, de dappere soldaten, de kundige priesters en magiërs. De wolk Rahastas verdween, en ondoden begonnen te breken en te verkruimelen. We leken te zijn gewonnen! Ja... zo leek het inderdaad. Maar de grote wolk bleek iets veel afschuwelijkers verborgen te hebben gehouden. We zagen een gigantisch bouwwerk dat vloog in de lucht. Het leek op een gigantische kroon met zeven hoorns. Ogen pronkten op de onderkant van dit fort en keken het slagveld over. Onze moed was nu volledig verdwenen. We waren gedoemd.

En toen, keerde d'Aerde zich tegen ons. De wings begon harder te waaien, bomen vlogen in het rond, de grond scheurde open. Walgelijke planten doorboorden en spleten mensen. Het gras waarop we liepen werd vlijmscherp, de kleren brandden van ons lijf af. Het was nergens meer veilig. Mensen stierven overal door de plots veel grilligere natuur. Ik probeerde net als iedereen te vluchten, te ontsnappen. Overal werden mensen gegrepen. En toen zagn we Rohadja, heldhaftig op het slagveld. En ook zij viel uiteindelijk dood neer, door deze ontwikkelingen. Rohadja, de toekomstige keizerin, en de hoop van Gareth, was verloren. Ze was dood. Een zoveelste lijk op dit walgelijke veld. Er was niets dat we konden doen. Ze was al snel weer verloren in de massa. Haar lichaam was niet terug te halen. We liepen verder, nog steeds proberend te ontsnappen. We bloedden, we leden pijn, en uiteindelijk vielen we door de kracht van de natuur ook op de grond.


Laatst aangepast door Dawn op ma maa 23, 2009 5:06 am; in totaal 1 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   ma maa 23, 2009 5:06 am

IVXIV Galotta

Waar er normaal gezien zwart zou moeten zijn, was er licht. Ik was me bewust van een gewaarwording, een aanwezigheid. Een warme gloed verspreidde zich doorheen mijn lichaam, en ik voelde Haar aanraking. Met een verdovende bewustwording kwam de werkelijkheid even snel terug als hij was weggerukt. Rondom mij stonden mensen terug op, en liepen verdwaasd verder. Het was de helende aanraking van Tsa geweest die ons had gered. We waren gered, voor nu. We dachten dat we enigszins veilig waren, nu het ergste deel voorbij leek te zijn, toen er plotseling gesteenen naar ons toe leken te vliegen, in een berekende boog. Het waren gargouilles of waterspuwers. De stenen gedaanten vlogen boven onze hoofden en probeerden ons pijn te doen, ons te raken. Het gebeurde allemaal te snel. Ik wist niet wie er uiteindelijk nog bij bewustzijn was en wie niet. Maar iedereen werd weggedragen, samen met mij. We werden gebracht naar het gigantische vliegende fort, dat onheilspellende boven onze hoofden zweefde. Enkel de dood kon ons daar te wachten staan. Plots werd alles terug zwart.

Toen ik weer bij was gekomen zag ik dat de rest van de groep ook bij mij lag. We waren allemaal van onze kleren ontdaan en hadden enkel ons ondergoed nog aan. Al onze bezittingen waren verdwenen. Rondom ons, zagen we mensen liggen in rechte lijnen. Ze werden doorboord door doorns die hun bloed leken op te zuigen. Hier en daar werden mensen die overduidelijk dood waren verwijderd en weggegooid. Het bloed van al deze mensen leek in dit fort rond te stromen. De anderen kwamen ook bij. Ik merkte dat we eigenlijk allemaal aan die bloedmachine vastzaten. We waren al stervende. Voordat we ook maar iets konden ondernemen, kwamen we Galotta tegen. Of eerder, hij kwam ons opzoeken. De man had een rood gezicht. Hij vertelde ons dat hij Gareth ging verpletteren, en lachte ons een beetje uit. Hij had ook Dextrot bij die op een groot kruis hing. Dextrot leek in de macht van Galotta te zijn. Inderdaad, leek. In een plots helder moment, leidde hij Dextrot af en vormde vreemde tekens met zijn armen. Hij vormde de letters GALX en zwaaide toen 3 keer met zijn armen. Misschien was het toch niet zo'n helder moment. Uiteindelijk vertrok Galotta weer, en hij nam Dextrot mee.

Ik weet niet hoe ze het hebben gedaan, maar ze zijn losgekomen. Ze hebben de bewaker die was afgeleid door een bewusteloze meid haar borsten neergeslagen, en hebben ons bevrijd. We konden niet alle mensen gaan bevrijden. Het waren er veel te veel. En voor de meesten was het toch al te laat. Ze hadden heel wat bloed verloren. We hoorden geluid vanuit de rechtergang komen. Soldaten kwamen onze kant uit, dus gingen we naar links. En daar kwamen me een man tegen genaamd Leonardo. Hij ging ons helpen uit de vesting te komen. We hadden geen tijd, dus, volgden we hem maar op goed vertrouwen.

En klaar met deze

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   wo maa 25, 2009 10:03 pm

IVXV Ontsnapping uit Kolo-Khai

Leonardo, de mechanist zei dat hij ons ging helpen ontsnappen. Eerst leidde hij ons naar een kamer waar alle spullen van de gevangenen werden opgeslagen. Er stond zelfs een naam op. Ik vroeg me af hoe ze onze namen te weten waren gekomen. Ik greep snel mijn spullen bij elkaar. Leonardo zei dat we weer verder moesten gaan, en snel. We volgden hem naar het buitendek. Hij zei dat hij niet veel tijd had en dat me ons moesten haasten. Hij wees nerveus op een zwarte, slangachtige stengel rond zijn nek die hem waarschijnlijk op de één of andere manier in zijn macht hield. We deden wat hij vroeg. Op het buitendek bood hij ons een paar vreemde dingen aan. Het waren net vleugels gemaakt uit stof. Hij vroeg van ons om daarmee van kolo-khai af te springen. De man leek wel gek geworden. Ik zou niet zomaar in het niets springen! De groep zag dat ik er wat problemen mee had en iemand probeerde me eraf te duwen. Hij faalde echter, zoals ze altijd falen als ze zo'n frats op mij uitproberen.

Ze slaagden er toch in om me te overtuigen. Een paar waren er al gesprongen, met niet zo'n fantastische resultaten, wat het toch wat moeilijker maakte voor mij. Maar ik sprong. En ik faalde verschrikkelijk. Ik weet niet wat er mis ging, maar er ging iets mis. Ik had het ze gezegd. Maar Kareja, kwam op me af gevlogen en hielp mij om mijn balans te houden. Ik en Kareja waren de enigen die het er zonder al te veel kleerscheuren vanaf hadden gebracht. Dat deed ik dus nooit meer. Boven ons zagen we het gevaarte bijzonder traag verderglijden op de wind. Voor ons zagen we de rivier die het slagvekd had opgedeeld. De rivier dreef nu vol ondoden. Aan de overkant van de rivier zag ik mijn paard. Ik wou het gaan halen. De rest zei dat ze liever rondgingen of zoiets omdat ze het niet vertrouwden, maar die tijdverspilling wou ik niet eens aanhoren, dus sprong ik de rivier in, zwom hem moeiteloos over en ging aan de andere kant mijn paard halen.

Ik hoorde de rest ook in het water springen. Af en toe keek ik eens achterom. Ze hadden belachelijk veel moeite met het overzwemmen van een ondiep riviertje. Ze waren bezig met het versleuren van hun harnas door middel van touwen. Ik hoopte voor hen dat het daardoor niet zou roesten. Ach, wat moest het weer moeilijk gaan voor hen. Maar ik vond mijn paard. Ik wachtte op de rest die het riviertje aan het bedwingen waren. Ze leken niet al te goed te kunnen zwemmen. Maar ook zij slaagden er uiteindelijk in om de overkant te bereiken. Ze grepen allemaal een willekeurig paard dat nog kon staan, en we vertrokken.

IVXVI De draak

Onder het rijden kreeg ik vreemde beelden in mijn hoofd. Het leek alsof ik sliep, maar dat was niet zo. Ik zag mensen die werden genezen, mensen die gewond waren, ik zag zieken. En op het einde van die beelden, vroeg een bizarre stem aan mij: “Mensenheler?”. Ik dacht onwillekeurig het woord ja, en de beelden verdwenen. Ik kon me enkel afvragen wat er zonet was gebeurd. Ik besloot mijn mond te houden tegen de rest, en bleef gewoon kalm achter hen aan rijden. Ondertussen had ik al gemerkt dat de groep vaak te drastisch handelde, en dat bepaalde dingen beter niet gezegd konden worden. We reden in het bos. We waren op weg naar de grote stad Gareth, waar we slecht nieuws moesten gaan verkondigen aan de rijksregente. Het was iets waar ik tegenop zag. Het zag er echter naar uit dat we Gareth niet al te snel zouden bereiken, en al helemaal niet voor het vallen van de nacht. Dus moesten we maar gaan overnachten in het woud. Niet iets dat we nog nooit eerder hadden gedaan, maar wie wist wat er nog in zou ronddwalen, na de nog verse veldslag. Zoals de gewoonte was, had ik niet eens de keuze of ik al dan niet een wachtronde zou houden. Net als ik, waren ook zij al lang hun vertrouwen kwijt in bepaalde kwaliteiten die ik al dan niet had. Ik viel al snel in slaap.

Abrupt werd ik wakker gemaakt door een heleboel lawaai. Het was nog niet eens goed en wel dag. Voor ons stonden een paar soldaten die er maar heel sjofel uitzagen. Ze hadden hun zwaarden getrokken. Ze vroegen ons of wij deserteurs waren. We verzekerden ze dat we dat niet waren. Maar ze zeiden dat zij wel deserteur waren, en vielen prompt aan. Wat een imbecielen! De krijgers van mijn kant verdedigden zichzelf onmiddelijk tegen de paar domme soldaten die voor ons stonden. Ze waren volhardend en een paar sneuvelden, ééntje bleef leven. Thenaka bond deze vast en wou hem achterlaten in het bos, maar ik vond dat een nogal gruwelijk plan. Wie weet kwamen er wel ondoden langs die hem levend zouden verorberen, of misschien enkel een beer, die zo'n hapje waarschijnlijk niet zou laten liggen. En als dat niet zou gebeuren, zou hij misschien een trage hongerdood sterven. Ik dacht niet dat de man dit verdiende en bond hem op de achterkant van mijn paard vast, zodat ik hem mee kon nemen naar Gareth. Daar zou hij wel berecht worden. Maar ik zag mezelf niet in staat te oordelen over een man die gewoon bang was geworden.

We besloten ineens verder te trekken, nu we toch wakker waren. Niemand zei het, maar wie die nacht ook de wacht had, had die niet goed gehouden. Maar de vrede die was teruggekeerd werd na korte tijd weer verscheurd toen ik nietsvermoedend op mijn paard zat, en een soort van gerommel hoorde dat dichterbij was. Even een korte stilte, en plotseling vloog ik. Ik vloog ver weg van de groep, weg van het bos. De bomen werden steeds kleiner, en de bergen kwam steeds dichterbij. Mijn hoogtevrees leek weg te zijn, terwijl ik op de rug van een echte keizerdraak zat. Ze zei me vast te houden, maar dat leek me onnodig. Het was alsof haar magie me op haar rug hield. We vlogen een grot in, waar ze me op de grond zette. Ik vroeg me af hoe de rest zou reageren. Ze dachten vast dat dit mijn schuld was, wat het ook was. Misschien kreeg ik later een preek voor mijn onbezonnenheid. Ze vonden vast dat ik teveel moeite was voor wat ik waard was. Misschien kwamen ze me zelfs niet eens halen. Maar dat was wel het minste van mijn problemen, op dat moment. Ik was net ontvoerd door een draak!

Ze vroeg me of ik een heler was. Ik zei dat ik dat inderdaad was. De draak gebaarde naar een bundeltje dat lag op een hoog stuk rots. Het was een klein draakje dat duidelijk gewond was. De bezorgde moeder vroeg of ik iets kon doen. Ik wist het niet. Ik kon mensen genezen, en beter maken, maar dit was een draakje. Ik zei echter dat ik mijn best zou doen. De moeder leek zeer verdrietig. Ik wist dat draken niet snel een kindje kregen, dus het zou waarschijnlijk zeer pijnlijk zijn om er eentje te verliezen. Ik zou mijn uiterste best doen. Ik ging naar het kleintje toe, en deed wat ik kon. Plotseling zei de draak dat 'mijn vrienden' eraan kwam, en ze vroeg me wat ze moest doen. Ik zei dat ze wel dichterbij mochten komen maar dat ze moest oppassen voor de man met het verbrande gezicht, want dat hij snel zijn zwaard uit de schede trok, voor te zien of diegene voor hem vriend of vijand was. Hij noemt het voorzichtigheid, ik noem het wantrouwen.

Ik kreeg gelijk. Thenaka was inderdaad de enige met zijn zwaard ontbloot. De draak hield hem geklemd tegen de muur. Thenaka zei dat ik de draak moest zeggen hem los te laten, maar dat wou ik niet. Dat Thenaka nu maar eens voelde hoe het was om bedreigd te worden terwijl hij niet echt slechte bedoelingen had. Misschien dat hij er iets uit zou leren. Uiteraard was dit ijdele hoop, maar het was toch hoop. Ik dacht wel dat ik iets voor het kleintje had kunnen doen. Het was niet meer in levensgevaar, en het zou er wel bovenop komen, dacht ik. De moeder was dankbaar, en zei dat ik 50 dukaten van haar goudberg af mocht nemen. Dit nam ik graag aan. Ik zou er helingspotjes mee kunnen kopen. En toen stelde de draak iets vreemds voor. Een spel. Ze wou een spel spelen met ons, om de sleur te doorbreken met als inzet magische voorwerpen of geestelijke eigenschappen. Ik vond het maar vreemd maar ik besloot om mee te doen. Na een tijdje te hebben gespeeld hield ik ermee op. Ik had op zich niets verloren, enkel een klein beetje iets gewonnen. Ik wou liever niet iets kwijtspelen, dat ik later nog nodig zou hebben, zoals mijn hersenen. En daarna vertrokken we weer. De draak liet zelfs Thenaka zomaar gaan. Het was een vreemd avontuur geweest.

IVXVII Terugkeer naar Gareth

Toen we uiteindelijk terug in Gareth waren, vonden we onszelf zonder iets te doen. Het was het moment van de stilte voor de storm, en we konden niets anders doen dan wachten. Het enige dat ons nog te doen stond, was het slechte nieuws gaan melden aan rijksregente Emer.

We werden begeleid naar de troonzaal, waar een heleboel mensen waren bij elkaar gekomen. We zagen er ook Leomar, tot mijn verbazing, daar ik de man al dood waande. Ook Rondrigan was in de zaal. De arme man. Hij zou sterven van verdriet. Emer vroeg ons hoe het gevecht was verlopen. We vertelden haar alles. We vertelden haar over de vele soldaten die waren gesneuveld, dat we Rahastas hadden kunnen uitbannen, maar dat ook Razazor er ergens rondvloog. We vertelden haar van het drijvende fort dat eraan kwam. En toen vroeg Emer hoe het met Rohadja was. We vertelden haar dat ze was gesneuveld. Emer stortte in, net zoals Rondrigan. Vreemd genoeg zeiden Daan en Thenaka dat het niet zeker was dat ze dood was, en dat we haar enkel hadden zien vallen. Ze trachtten Emer hoop te geven, om meer nut aan haar te hebben. Ze waren volslagen egoïstisch. Hoe durfden ze, zo geen respect te hebben voor de gevallenen. Vooral van Thenaka verbaasde dit me. Ze gingen naar Rondrigan en probeerden er iets zinnigs uit te krijgen, maar dit lukte ze niet. Ze bleven hun fabeltje volhouden dat Rohadja misschien toch nog leefde. Als dat inderdaad zo was, was het als ondode. Ik verkoos deze gedachte echter niet te verwoorden.

We verlieten het paleis en gingen onze eigen weg. Ik had nog wel wat te doen, en dat was zeker niet hetzelfde als de rest. Eerst en vooral ging ik twee riemen laten maken met elk 12 zakjes. Die zou ik in een grote X-vorm dragen. Die 24 zakjes moesten nu enkel nog gevuld worden. Ik ging op zoek naar een alchemist en strompelde toevallig de zaak van de grote alchemist 'Tyros Prahe' binnen. De man leek het extreem druk te hebben. Hij zag me en zei dat hij wat drankjes had klaargemaakt voor onze groep. Hij zei ook dat betaling niet nodig was. Het was niet zoveel. Een paar helingspotjes, en een paar astraal potjes die ik onmiddelijk aan Kareja zou geven, zodra ik haar zag. Ik stak de helingsdrankjes in een paar van mijn zakjes. De alchemist gaf me ook een speciaal kruid waardoor ik veel meer karma zou regeneren mocht ik gaan bidden in een tempel. Ik nam het kostbare kruid dankbaar aan. Ik vroeg aan de alchemist of hij nog meer helingsdrankjes voor me zou kunnen maken. Hij zei van wel, nadat ik had voorgesteld om te helpen. Maar eerst moest ik snel naar die Tsa-tempel.

In de tempel bad ik een nachtje tot Tsa, en vroeg haar om meer karma. Het kruid had geholpen, dacht ik. En ongelooflijk maar waar - Een grote inktvlek bedekt deze passage in het dagboek van Dawn. Er zijn nog maar een paar woordjes zichtbaar, namelijk “Nacht” en “Bloempje” - en uiteraard was ik verheugd! Ik leerde haar een paar ratten te vangen zodat ze zichzelf kon voeden. Daarna vertrok ik weer naar de alchemist want er waren veel helingsdrankjes die moesten worden gebrouwen. Het duurde een lange, lange tijd, maar uiteindelijk waren 18 van mijn zakjes gevuld. Maar ik zou bij de alchemist blijven tot ze allemaal gevuld waren, met de lichtblauwe, helende vloeistof. Het zou vast van pas kunnen komen.

Ziezo, klaar

Even ter herinnering voor mezelf

1C
6D
8E
5F


Oh, en

2 toverdrankjes (1D, 1E)
6 astraaldrankjes (1d+4 nachtelijke regeneratie)

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   vr apr 10, 2009 6:19 pm

IVXVIII Aankomst van Kholo-Kai

Het einde van de laatste dag was bijna aangebroken. Ik liep nog wat rond in de tuinen van het paleis. Ik had immers niets meer te doen. Er was gewoon niet veel meer te doen. In die tuinen liep ook Leomar rond. Hij sprak me aan en vroeg me om eens iets te gaan doen met hem. Ik kon niet zeggen dat ik geïnteresseerd was, en vroeg me af waarom het altijd de doorwinterde krijgers waren die interesse leken te tonen. Ik wimpelde Leomar af. Mijn hoofd stond er toch niet naar. Misschien was hij zich er niet van bewust, maar er stond een demonenleger voor de deur. Ik keerde terug naar de herberg waar de rest ook zat. Lyam wou een maaltijd koken voor de groep, omdat hij de laatste tijd veel geld had verdiend in de herbergen. Ik bedacht dat ik hem best kon helpen omdat hij van koken niet veel kaas had gegeten. Maar voordat het eten klaar was kwam Rondrigan ons opzoeken. Hij leek al iets beter bij zijn volle verstand te zijn. De arme man. Hij vroeg waarom we een paar keer waren langsgekomen. Tja... ik wou enkel gaan kijken hoe het met hem was m hem te troosten. Ik mocht toen niet binnen en nu was het blijkbaar niet meer nodig dus hield ik mijn mond.

Rondrigan zei dat hij met ons mee wilde komen op de luchtschepen waarmee we naar kholo-kai zouden gaan. Thenaka begon hem al onmiddelijk tegen te spreken. Hij zei dat hij er niet klaar voor was en dit en dat. Ik vond dat als Rondrigan mee wilde vechten, hij dat mocht doen. Thenaka ging toch ook zijn gewone gangetje? En alle hulp zou welkom zijn. Uiteindelijk aanvaardde Thenaka de hulp van Rondrigan maar dan enkel als hij naar hem zou luisteren als was hij een gewone soldaat. Tot mijn verbazing ging Rondrigan akkoord. Hij wilde vast Rohadja wreken. Haar dood was tragisch geweest voor iedereen, en dan vooral voor hem. Ik hoopte alleen dat hij niet ook zou sterven. Na deze afspraak vertrok Rondrigan weer, waarschijnlijk om zich klaar te gaan maken voor de strijd van de volgende dag. Ik en Lyam maakten het eten af “gniffel” en gaven iedereen een portie. Kareja was vegetariër, dus kreeg zij enkel groentjes. Die nacht hebben we heel goed geslapen.

De volgende dag werden we al vroeg wakker. Buiten begonnen de mannen zich te verzamelen. Er stonden katapulten klaar om afgevuurd te worden, en Thenaka en Daan hadden een paar vreemde vuurstokken. Aan de katapulten stonden dwergen. Het was best nog wel een grappig zicht. En toen zagen we in de verte Kholo-Kai. Het gevaarte kwam tergend traag dichterbij, net zoals het leger daaronder. Het zou nog zo'n halve dag kunnen duren voordat ze uiteindelijk Gareth hadden bereikt. Het ondraaglijke wachten werd genadeloos verlengd. Uiteindelijk kwamen er na een tijdje valken op ons af die stenen vasthadden. Die wilden ze vast op de katapulten laten vallen. De eerste groep valken waren met vijf. Met behulp van de katapulten en de vuurstokken werden ze snel, en efficient uit de lucht gehaald. Thenaka gaf één van de stokken aan een dwerg die deze gewoon liet vallen omdat hij niet dezelfde methoden als een elf wilde gebruiken. Maar Thenaka kom hem overtuigen, zodat ze een man extra hadden om te vuren op de volgende groep valken. Deze keer waren het er tien. Ze slaagden erin om een katapult te vernielen, een tweede werd enkel lichtjes beschadigd. Maar de 10 valken werden verslagen. Toen er daarna niets aankwam besloten we dat ze dichtbij genoeg waren gekomen. We wisten immers niet hoe lang het zou duren voor we Kholo-Kai hadden bereikt, en ook niet hoe lang we daarbinnen zouden moeten ronddwalen. En dus sprongen we op de luchtschepen. Rondrigan stond ook al te wachten.

Daan wilde de jongen 'Nestel' dwingen om één van de schepen te besturen. De jongen werd kwaad en zei dat Daan hem al de vrijheid had geschonken. Daan zei dat dat klopte maar dat hij die ook terug kon wegnemen. Hoe durfde hij! Maar spijtig voor hem, kon hij dat niet. Ik zei tegen Nestel dat hij dat helemaal niet hoefde als hij dat niet wilde, en dat hij zich geen zorgen moest maken om Daan. Hij bedankte me, zei dat hij zoiezo niet wist hoe je het schip moest besturen, en liep toen weg, roepend dat hij ons haatte. Ik was niet zeker of ik daarbij hoorde. Het maakte niet uit. Kareja had tenminste een beetje een idee van hoe ze moest vliegen, dus zou zij het schip besturen waar wij inzaten. Rondrigan zou een ander schip besturen, en wie het derde schip bestuurde weet ik al niet meer. Het was een beetje lastig maar we slaagden erin om op te stijgen. De magiërs verhulden ons in een rookwolk zodat we niet zouden worden gezien. Het duurde een tijdje maar uiteindelijk kwamen we dichtbij Kholo-Kai. We zagen dat er bepaalde wezens uit Kholo-Kai tevoorschijn kwamen. Het waren Karaklimsrijders. De Karaklims waren grote slangachtige wezens met vleermuisvleugels. Daar waren er drie van. Ze werden vergezeld door ondode reuzenvalken. We dachten dat onze list lukte en dat ze ons niet zagen, maar toen kwam één van de Karaklims op ons af. Toen we naar Kholo-Kai keken, zagen we iemand met een soort verrekijker recht naar ons kijken. We waren gezien.

IVXIX Het gevecht begint

We hadden geen keuze, en moesten de dreiging afslaan. Een groot probleem was dit niet, maar het vechten trok wel de aandacht van de rest. Plotseling kwamen er vier luchtschepen op ons af, nog twee Karaklims, en een heleboel waterspuwers. Eén van de drie luchtschepen aan onze kant kreeg een fit waardoor deze langzaam hoogte verloor. We probeerden om de meesten over te laten stappen op ons schip door middel van touwladders, maar dit lukte niet zo goed voor iedereen, en sommigen stortten naar beneden. Ondertussen moesten we door blijven vechten terwijl de ruimte op het luchtschip een stuk kleiner was geworden door de overvloed aan passagiers. Eén van de magiërs slaagde erin om één van de karaklims in zijn macht te krijgen en liet deze tegen de andere vechten. Toen uiteindelijk de bezweerde karaklim was verslagen stortte de laatste zich op ons schip waarna het begon te happen en slaan naar alles in zijn omgeving. Zijn lange tong verstrikte de arme bard die niet tijdig had kunnen wegspringen. Ik probeerde te helpen maar werd tegen de grond geslagen, net zoals vele anderen, maar uiteindelijk wist Lyam zichzelf te bevrijden. Ook dit monster werd verslagen. We hadden nog meer manschappen verloren en er bleven monsters op ons inhakken.

En toen zagen we ook Razazor, de ondode keizerdraak tevoorschijn komen. Thenaka, die een artifact had gekregen waarmee hij Razazor serieus in de war kon sturen, sprong op zijn vliegend tapijt dat gelukkig niet aan het slapen was en ging op de draak af terwijl we verder vochten. Thenaka was erin geslaagd om ongezien achter Razazor te verschijnen door een onzichtbaarheidsspreuk van één van de magiërs maar Razazor merkte hem op het laatste nippertje nog op waardoor Thenaka hem net miste. Hij probeerde nog verschillende keren opnieuw om Razazor te raken, maar mislukte telkens weer. Hij werd ook duchtig door elkaar geschud door de draak waar hij duidelijk niet tegen op kon. Uiteindelijk draaide Razazor zich om en ging terug naar Kholo-Kai. Thenaka wilde hem nog volgen maar gaf het uiteindelijk toch op. Hij keerde terug naar ons schip waar de manschappen ook al vrij ver waren uitgeroeid. En toen plotseling, kantelde het schip. Ik kon mijn evenwicht niet bewaren en viel naar beneden. Gelukkig voor mij kon Thenaka mij nog opvangen met zijn nieuwe vliegende tapijt.

Opnieuw moesten de manschappen overstappen naar het laatste schip. Veel hadden we niet meer over. Nog twee magiërs, Rondrigan, en een paar soldaten. Op het gekantelde schip lieten we het schaap liggen dat een mistwolk kon oproepen, een hebbedingetje dat we lang geleden in onze handen hadden gekregen, en we lieten het laatste schip onzichtbaar maken zodat we dan toch nog ongezien het fort konden binnensluipen. We gingen op de vliegende vesting af tot we gestopt werden door een barrière. Met een gigantische krak ging ook ons laatse schip kapot. De meesten vielen naar beneden, maar nog een paar van ons gleden zeer langzaam naar beneden. Rondrigan was bewusteloos. Eén van de magiërs had twee djinns opgeroepen die ieder twee mensen konden dragen. Ik zat bij Thenaka op zijn vliegend tapijt waarmee we naar Rondrigan gingen om hem terug bij bewustzijn te krijgen. Ondertussen zocht Kareja een gat in de barrière. En ze vond er één, aan een luik, waar me met het laatste handvol mensen naar binnen gingen.

VX terug in Kholo-Kai

Binnen stond uiteraard tegenstand te wachten in de vorm van negen wachters. Uiteraard brak er onmiddelijk een gevecht los. Het ging vrij goed tot plotseling, tot onze grote schrik en verassing, Razazor zijn hoofd door de grond doorbrak, en wild in het rond begon te bijten. Thenaka zag zijn kans schoon en raakte Razazor op zijn hoofd met zijn goddelijk artifact. Het leek niet bepaald veel te doen. Het leek Razazor alleen maar kwader te hebben gemaakt want hij riep uit dat hij onze koningin zou doden, en vloog weg. Nadat ook de negen wachters uiteindelijk verslagen waren, keken we op de kaart die de krijgers blijkbaar hadden gevonden in een bibliotheek. De beste weg naar de troonzaal leek de weg te zijn die “De weg zonder genade” was genoemd. Nog een beetje beter op onze hoede gingen we die gang dan maar in. Ondertussen was al gebleken dat Rondrigan niet echt een goede vechter was en dat het eigenlijk stom was geweest om hem mee te nemen. De kans was groot dat ook hij hier zou sneuvelen. Na een tijdje sloegen we rechtsaf waarna we in een kamer kwamen waar een paar jonge jongens iets aan het prevelen waren. Toen ze ons zagen, riepen ze een vreselijke verbastering van een spreuk uit die uiteraard niets deed. Het was bijna schattig en zeer duidelijk dat ze geen bedreiging vormden. En toch doodde Thenaka zonder zelfs maar een tweede keer na te denken. Daan was ook snel bij de pinken. Ze zeiden dat de jongens pacteerders waren en dus dood moesten. De jongens waren geen pacteerders. Maar ja, wie luistert er nu ook naar een priesters, wat weet die er immers van.

Onmiddelijk kwamen er een paar mannen binnen die duidelijk de leraars bleken te zijn van de pas gedode jongens. Deze kenden hun spreuken een stuk beter en waren dan ook een grotere bedreiging, maar ook zij werden snel verslagen. Ik wou echter dat ze toch niet zomaar op alles insloegen. Ik had al veel van mijn helingsdrankjes moeten gebruiken, waar ik overigens geen enkel bedankje voor had gekregen. Had ik daar zo hard voor gewerkt? Daarna gingen we verder. Onderweg hoorden we iets, dus drukten we ons tegen de muur, maar wat er uiteindelijk voorbij kwal gewaggeld was een hondje op zes poten! Gelukkig werd het onnatuurlijke beest snel gedood. We gingen nog verder. Het was een lange weg. En toen kwamen we in een grote kamer met zeer brede trappen die naar omhoog gingen en naar een deur leidden. Langs de trappen stonden golems zeer stil te wachten. Op de eerste trede van de trap stond iets raars. De magiërs zeiden dat de tekens een spreuk aanduiden, en dat het betekende dat zodra we over de streep kwamen, de golems ons zouden aanvallen. Snel werd er een plan in elkaar gestoken. Kareja zou naar boven vliegen met een magiër die een spreuk zou doen op het slot dat aan de deur hing om deze open te krijgen. Misschien dat de vijandige spreuk niet zou worden geactiveerd als men er gewoon overvloog. Was dit wel het geval, dan moesten we beginnen rennen, achter hun aan, voordat we ingesloten zouden zijn. Zo gezegd zo gedaan. Kareja vloog naar boven.

En de golems begonnen te bewegen. Ik rende zo snel ik kon acter Kareja aan. Hier en daar ontweek ik een slag van de golems, en uiteindelijk was ik boven. De rest begon een beetje te vechten terwijl ze renden. Rondrigan werd weer helemaal naar benden geslagen en was weeral bewusteloos. Iemand grabbelde hem onderweg mee, terwijl de magiër naast mij eindelijk zijn spreuk klaarhad. Hij voerde hem uit en... er gebeurde niets. We hadden geen idee wat er nu moest gebeuren. Nog een golem probeerde me te slaan, maar ik ging uit de weg, waardoor het ding net op het slot sloeg, waardoor het een beetje kapot leek te zijn, maar nog steeds in staat om de deur dicht te houden. Ik ging er weer voor staan, waarna de golem wederom naar me uithaalde, wat ik met gemak een tweede keer ontweek. Deze keer sloeg hij het slot kapot, waarna we de deur door vluchtten. De golems kwamen ons niet achterna. Aan de andere kant van de deur gaf ik Rondrigan nog maar eens een helingspotje, waarna we nog even achterom keken en zagen dat zo'n veertigtal krijgers ons achterna kwamen. De demonen zijdt vervloekt. We vluchtten weg de volgende gang door, tot we werden staande gehouden door een overweldigend gevoel van angst. In de volgende kamer stonden namelijk een heleboel kirvalkbeelden. Enkel Lyam durfde de kamer in te gaan. De rest van ons was echter te bang. We bleven liever de krijgers opwachten.

De krijgers kwamen steeds dichterbij, en we zouden waarschijnlijk aan hun zwaarden zijn gespiesd als Kareja niet één van haar spreuken had gebruikt. Heksenknoop, dacht ik dat het heette. Dat nam echter niet weg dat de magiërs en boogschutters onder hen, ons nog steeds konden bereiken. Uiteindelijk wisten Thenaka en Kareja hun angsten te onderdrukken en achter de kirvalkbeelden te gaan zitten, waar ze veilig waren. Ik denk dat ook Daan zijn angst had overwonnen maar hij bleef bij mij om me te beschermen tegen de vijandige pijlen, door middel van zijn mantel denk ik. Geen idee wat dat ding eigenlijk doet, en hoe Daan het juist heeft overleeft, maar het heeft toch gewerkt. Uiteindelijk durfde ik dan toch verder te gaan, en we lieten de krijgers achter ons terwijl we bij de kirvalkbeelden neerzegen. Er was daar nog een deur te zien. Dus we konden nog verder. Misschien dat deze deur wel naar de troonzaal leidde. We openden hem.
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   wo mei 06, 2009 9:00 pm

VXI Galotta

We stapten de troonzaal binnen. En daar zagen we de zo gevreesde tovenaar Galotta. En voor hem stond een hele troep van duistere wezens, gewapens met zwaard en zweep. Naast Galotta, stond Dextrot, mak als een lammetje, gewoon voor zich uit te staren. Ik geloofde niet dat de man onder de invloed was van Galotta. Ik geloofde het voor geen seconde. Ik was ervan overtuigd dat Dextrot, geniepig als hij was, gewoon afwachtte tot hij een opening zag om Galotta uit de weg te ruimen. Daarbij, de vorige keer dat we bij Galotta waren geweest, hadden we ook gezien dat Dextrot stiekem helder was. Dus waarom zou dat nu anders zijn. Galotta begon te spreken. Hij richtte zich tot Kareja, en vroeg naar haar zusters, en hoe die waren opgesloten door de Praios-priesters. Kareja werd een beetje kwaad maar Thenaka hield haar in bedwang. En voor Galotta verder kon gaan, schoot Daan een pijl af, naar Galotta toe, maar die kaatste gewoonweg af. Galotta trachtte nogmaals met ond te communiceren, maar deze keer deed Lyam iets vreemds met zijn goodelijk zwaard, waardoor zowat de helft van de duistere wezens tussen ons en Galotta, verdwenen. Daarna riep hij Oberon op... en het zwaard verdween. Het was gewoon weg, en er gebeurde niets anders. Galotta had er echter genoeg van. Men bleef hem aanvallen, en van praten had hij dus genoeg. Hij stuurde zowel de wezens als Dextrot op ons af. Gehoorzaam wandelde Dextrot naar Thenaka, en begon met hem te vechten.

Het was een ware slachting. Hier en daar haalde er eentje naar mij uit, maar ik ontweek elke poging. Rondrigan ging al zeer snel neer. Ik dacht niet dat het nuttig was om hem terug op zijn voeten te zetten. De uitkomst zou steeds dezelfde zijn. Hij was tenminste niet stervende. Nog een uithaal naar rechts, die ik wederom ontweek. Ik moest een paar mensen helpen, ze keken niet goed uit en waren onvoorzichtig. Ze leken niet door te hebben waar ze tegenover stonden. Galotta was dingen aan het prevelen. Ik dronk het onzichtbaarheidsdrankje dat ik had gekregen van de alchemist. En plots letter er niemand meer op mij. Ik sloop naar Galotta die zich sterk aan het concentreren was op wat hij ook aan het doen was, en ik gooide het banpoeder dat ik had op hem. Hij schreeuwde van frustratie, waarschijnlijk omdat hij zijn concentratie kwijt was, maar leek nog steeds niet te letten op mij, terwijl ik zeer dicht bij hem stond. Galotta gebruikte de spreuk die hij nog niet verloren was. Niemand leek te kunnen blijven rechstaan. Ik dacht nog net één ding te doen, en ik nam snel de kroon van Galotta's hoofd, en liep er snel mee weg. Maar Galotta riep me terug.

Hij zei dat ik terug moest komen. Ik gooide de kroon de gang in en luisterde maar. Ik kon toch niets doen, tegen een tovenaar van zijn caliber. Niemand stond nog recht, behalve Lyam en ik. Galotta leek het niet eens erg te vinden dat zijn kroon weg was. Nu ja, weg... hij lag gewoon in de gang ernaast. Het was een domme poging geweest. Hij bood me een mes aan. Hij zei dat hij mijn vrienden zou helen en sparen, als ik Lyam zou doodsteken. Hoe durfde hij dat van me te vragen. Ik dacht er niet eens over na. Daarbij zou hij zich vast niet eens aan zijn woord houden, als ik het wel deed. Ik weigerde. Galotta keek een beetje kwaad en wendde zich abrupt naar Lyam. Hij deed hem hetzelfde voorstel. Lyam kwam op me af, met het mes, en vlak voor me, gooide hij het naar Galotta. Ja, dat zou vast werken. Kwaad ging hij naar Lyam toe. Ik wist niet wat ik moest doen. Plotseling verscheen er een hologram in het midden van de kamer.

Het was Leonardo van Havanna. Hij kwam melden dat Kholo-Kai ging neerstorten, en dat hij er voor had gezorgd dat dit zou gebeuren. Hij zij dat Galotta een dwaas was, en nog meer van dat soort dingen, tot hij plots naar zijn keel greep, en het hologram verdween. En net toen, stak goeie ouwe Dextrot een zwaard doorheen Galotta, waardoor de tovenaar tegen de grond viel, en van verbazing naar de wonde greep. Galotta was nu dood. Ik wist het. Dextrot stond nog steeds aan onze kant. Die oude Dextrot echter, was zwaargewond, en viel ook neer. Ik had nog net het laatste helingsdrankje in mijn handen, maar Dextrot zei dat hij wilde sterven. Ik twijfelde nog. Ik wst niet of dit wel goed was. Zou Tsa me het vergeven als ik hem liet sterven? Maar Dan nam het drankje uit mijn handen, en goot het in Dextrot's keel, zonder dat de man er iets over te zeggen had gehad. Vertwijfeld stond hij op, Thenaka nem Rondrigan mee, en zo vertrokken we. Maar ik wist dat de kroon nog in de gang lag. En we konden de splinster toch niet laten liggen. Dus wou ik hem oprapen. Maar zodra ik het vervloekte ding aanraakte, werd de wereld zwart.

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   wo mei 06, 2009 10:44 pm

VXII De splinster

Wanner ik weer bijkwam waren we op de grote markt. Kholo-Kai was neergestort en had verschillende delen van gareth verpletterd. De tempels waren allen flink beschadigd of gewoon compleet neergehaald. Rondrigan was nergens meer te bekennen. Een praios-priester stond voor ons en gaf een speech om het moraal van het Garetische volk een beetje boven water te houden. Wij werden bestempeld als de helden van Gareth, ookal was er dan niet veel meer van Gareth over. Veel mensen hadden ook hun leven gelaten. Het kwam mij ter ore dat Tieros Prahne was gestorven. Ik vond dat best verdrietig. Ik had veel aan de oude man gehad, en ik had zijn kinderlijke instelling geweldig gevonden. Waarom was hij dan ook naar de frontlinie gegaan. Hij was beter weggebleven. En de dwergenkoning Albrax was een been kwijt. Hij leefde tenminste nog, maar ik vond zijn lot op de één of andere manier best sadistisch. Toen het volk zichzelf weer verspreidde, kwam er een boodschappertje naar ons toe. Hij vertelde ons dat Rondrigan ons wilde spreken, en dus volgden we hem, naar Rondrigan toe. Ik vroeg me af waarom hij was weggegaan in de eerste plaats.

Eenmaal ter plaatse aangekomen, zag ik dat het ging om de demonensplinster. Dat ding raakte ik voor de drommel niet meer aan. Dat konden ze vergeten. Maar het moest blijkbaar verplaatst worden. De splinster was namelijk aan het groeien, en perversiteerde de grond. Daarom zou deze naar een tempel moeten worden gebracht, waar hij veilig zou zijn. Ik dacht tenminste dat het ding op geweide grond niet veel meer zou kunnen aanrichten. Eerst gingen we naar de Ingrimm-tempel. De splinster was nu eenmaal afkomstig van de demonische tegenhanger van Ingrimm. Maar toen we bij de tempel aankwamen, zagen we dat deze helemaal, tot op de grond was verwoest. Toen we het nader wilden onderzoeken, kwam er een woeste Ingrimm-priester op Kareja af met een mes. Hij zei dat ze hun ongeluk had gebracht, dat ze de ring had verwoest die ze had gekregen, en meer van dit alles. We konden de radeloze man tegenhouden, en besloten om er dan maar niet langer rond te hangen. We moesten nu eenmaal van de splinster af. Onze volgende keuze was de Hesinde-tempel. Daar wisten ze vast wat ze met de splinster moesten doen. Maar toen we daar aankwamen, zagen we dat die tempel ook niet tot onze beschikking zou staan. Ze hadden het namelijk veel te druk met vanalles en nog wat, maar ze wilden wel helpen. Ze zonden priesters mee, die onderweg de splinster zouden helpen beschermen. En toen besloten we om naar de tempel te gaan die we het liefste ontweken, namelijk de Praios-tempel.

Onderweg sloten meer en meer priesters zich aan bij ons. Praios-priesters kwamen er ook bij om ons te begeleiden naar de plaats waar de splinster zou gaan verblijven. Voor hen was het geen probleem om op het ding te letten. Alles leek goed te gaan tot Thenaka onderweg plotseling een beetje... gek werd. Hij zei dat de priesters nooit goed genoeg op de splinster zouden kunnen letten, en dat hij dat wel zou kunnen. Toen we hem de splinster echter niet wilden geven, probeerde hij hem eigenhandig te pakken te krijgen. De Praios-priesters lieten dit uiteraard niet toe en vielen hem met zijn allen aan met een paar sterke liturgieën. Thenaka was onmiddelijk dodelijk gewond. Wederom werd naar mij gekeken om ervoor te zorgen dat hij niet zou sterven. Maar ik voelde twijfel. De drang om de moordlustige maraskaan in leven te houden verminderde steeds sneller en sneller, en dit leek een keerpunt. Ik wou hem niet helpen, en zelfs als ik dat zou willen, dacht ik niet dat ik het zou kunnen. Dus zei ik dat Thenaka al te ver weg was en dat ik hem niet kon helpen. Toen vroegen ze aan de Hesinde-priesters om te helpen. Dit deden ze, tot mijn verassing. Daarna zeiden ze dat ik het laatste beetje toch nog kon doen. Ik gaf toe. Nog één keer. Waarschijnlijk voor de laatste keer. Het zou afhangen van zijn verdere gedrag. En de splinster... die geraakte zonder verdere problemen in de Praios-tempel, op geweide grond, op een altaar. Hopelijk was alles zo opgelost.

VXIII Het theater

Rondrigan liet ons weten waar hij ons voor had laten roepen. Hij had het over het “oog van de morgen” dat verscholen lag onder de ruines van de nieuwe residentie. Blijkbaar was het een artifact dat eender welke plek en persoon zou kunnen laten zien. Het was gemaakt uit meteorietijzer van zo'n 60 kilo en werd gebruikt door het olmenkabinet. Blijkbaar moesten we aan dat ding zien te komen. Ook moesten we in de registers van de KGIA zien te komen, maar dat zou lastiger kunnen zijn dan we oorspronkelijk dachten. Er waren wachtwoorden voor nodig, er zaten zeer sterke sloten op de deuren, en kortom was het onmogelijk om er binnen te kunnen geraken. Eén van die wachtwoorden kenden we al. Het was het wachtwoord “Artex” dat we toch nog op het laatste moment uit Dextrot hebben kunnen krijgen. Veel tijd was er niet om over dit alles na te denken want we hadden een afspraak met de KGAI-leiders in het oude theater. We zouden er binnen moeten komen via de dienstingang. We werden verteld dat Melewin Stoerebrand, de opperpriester van de Hesinde-tempel, Praiodan van Luringen, en Jeglef en Rakala diegenen waren die een codewoord kenden om binnen te kunnen komen in de archieven. Praiodan en de opperpriester hadden ook een geheim rijkszegel dat kon worden gebruikt om het voorheen genoemde “oog van de morgen” te kunnen activeren.

Er werd ons verteld dat Emer was gedood. Razazor had haar blijkbaar in zijn bek gehad. De omstaanders hoorden een luid gekraak en toen is Razazor met haar weggevlogen. Dit was duidelijk slecht nieuws. Nu niet enkel Rohadja, maar ook Emer. Dit betekende dat Celindial de pvolger was voor de troon, en dat zag er niet goed uit. Nu de helft, of meer van Gareth was vernietigd, was ik een beetje bang voor Tyros Prahe, dus ging ik even langs bij hem thuis, samen met Lyam. Maar hij was er niet. Zijn huis was vernietigd, en hij was nergens te bekennen. Het was een slecht voorteken, maar je wist natuurlijk nooit. Het werd tijd om naar het theater te gaan, om de vergadering bij te wonen. We waren er ongeveer als eerste, maar al snel vulde het oude gebouw zich met meer mensen, waaronder Drego, Jara Suhru, Himi, en Rondrigan uiteraard. Al snel bleek dat Drego de touwtjes in handen wilde hebben. Hij was werkelijk onuitstaanbaar, maar Lyam trachtte er toch goed mee op te schieten. Hij gaf Drego allerlei complimentjes, en gaf hem gelijk in alles dat hem zei. Deze vleierij leverde hem een codewoord op, namelijk “Brabant”. Ik wist wel niet zeker of dit woord te vertrouwen was, daar het van Drego kwam. Hij leek een persoonlijkheid te zijn die niemand wilde helpen. Er werd ook besproken waar Dextrot waarschijnlijk zijn wachtwoorden had verstopt. De locaties waren Olmenhout, Elvina, Uilenhof, het graf van zijn vrouw, en misschien het graf van zijn vader. Tevens werd er gediscussiëerd over wie er nu eigenlijk de nieuwe leider van de KGAI moest worden. Uiteindelijk kregen we daar nog geen antwoord op, maar mijn zinnen waren gezet op Rondrigan.

De mensen gingen één voor één terug weg. Maar toen wij wilden vertrekken, hoorden we gestommel en gekreun in het theater. We gingen kijken wat er aan de hand was, en zagen tot onze verbazing dat het theater vol zat met zombies en skeletten. Ik durfde niet te handelen, maar voor Thenaka kwam het neermaaien van de verdoemde creaturen instinctmatig. Hij maaide ze neer zonder veel problemen, en met de hulp van de rest, mezelf nier inbegrepen. Hierna gingen we onmiddelijk naar de Boron-tempel, om te melden wat we hadden gezien. Ze vertelden ons dat ze er mensen op hadden zitten die eraan wilden werken, maar dat ze gewoon met te weinig waren op dit punt. We gingen ook even langs bij de Peraine-tempel, omdat veel van ons heling nodig hadden, en ik op dat punt gewoon niet veel meer kon doen. Daar kregen we een briefje van een boodschappertje, dat ons vertelde dat we werden verzocht om naar de Praios-tempel te gaan. Onmiddelijk dacht ik aan de demonensplinter, en ik hoopte dat er niets ergs aan de hand was. Maar helaas. Toen we in de Praios-tempel aankwamen, zagen we dat er iets goed mis was met de splinter. Ze had een grote invloed op haar omgeving die ze gewoon begon te vernietigen, zelfs al was ze op geweide grond. Het was een slecht teken.

Leonardo echter, zei dat hij er wel iets aan zou kunnen doen, maar dat hij daar enkele dingen voor nodig zou hebben. Hij gaf ons een lijstje met de ingrediënten en materialen die hij nodig zou hebben voor zijn nieuwste uitvinding en stuurde ons op pad, alsof we zijn loopjongens waren. Maar we hadden niet veel keus. Het ging nu eenmaal om de splinter, en het was logisch dat ze daar niet jan en alleman bij wilden betrekken. We zochten overal naar soms wel vrij zeldzame goederen, en toen we ongeveer alles hadden, gingen we terug naar de tempel omde verkregen dingen al af te geven. Toen kwamen we tot de ontdekking dat alles voor niets was geweest. De splinter was weg, net zoals Leonardo. We hoorden dat de arme man in de limbus was getrokken, samen met de splinter. Hij was zomaar, plotseling weg. De man die ervoor had gezorgd dat Kholo-Kai ten gronde werd gericht, de man die durfde opkomen tegen Galotta zelve, was nu verslagen door de splinter, de schim van zijn voormalige slavendrijver. We hadden nooit een kans gehad. Als de splinter zelfs hier niet veilig was geweest, zou ze dat nergens kunnen zijn.

Er gebeurde zoveel tegelijkertijd dat we zelfs geen tijd hadden om hier al te veel om te rouwen. We zouden binnenkort naar een andere vergadering moeten, in het Olmenkabinet, in een of andere sterrenzaal. Dat was nog niet voor vandaag, maar wel voor zeer binnenkort. Maar waar we nu wel naar konden zoeken, was het oog van de morgen. We hadden gehoord dat deze ergens hier in Gareth zou zijn, in de ruines van de nieuwe residentie, dus konden we daar even goed naar gaan kijken, voor er iemand anders mee weg was. Toen we er aankwamen, zochten we een tijdje, en geloof het of niet, we zagen er iemand die het wel zeer kostbare artifact vast had. Hij liep ermee weg, maar we slaagden er niet in om hem in te halen, om het ding van hem af te pakken. Hij ontsnapte. We hadden al gehoord dat er een soort dievenbende aan het werk was in de stad, maar we hadden er nog geen gehoor aan gegeven, tot nu dan. We zouden het oog wel te pakken krijgen. Toen we voorbij de Peraine-tempel kwamen, zagen we dat sterke Hage daar zat, een jonge knaap die we af en toe wel waren tegengekomen. Hij was duidelijk gewond. Thenaka eiste onmiddelijk te weten wat er was gebeurd. Hij vond duidelijk dat sterke Hage iets te maken had met de recent gevormde roversbende, en wou hoe dan ook informatie te pakken krijgen van de jongen. Die wachtte niet lang om te spreken. Eerst zei hij wel dat ze hem zouden doden als hij iets zou verklappen, maar Thenaka maakte duidelijk dat hetzelfde lot hem zou vergaan, mocht hij niets vertellen. Thenaka was zo'n bruut. Niet te geloven dat hij van zichzelf dacht dat hij zo goedaardig was. De jongen vertelde over Ifernia van Mundbach. Een vrouw die aan de leiding stond van de roversbende. Hij vertelde ook dat het oog werd gestolen voor een oude man met een grijze baard, die elegante kledij droeg. Thenaka wist genoeg, en we lieten de jongen met rust.

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!


Laatst aangepast door Dawn op za dec 26, 2009 10:44 pm; in totaal 1 keer bewerkt
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   zo dec 27, 2009 3:44 am

VXIV Het Olmenkabinet

We liepen een beetje verloren rond in de stad, toen we voorbij een kerkhof kwamen. Celindial zat er vreemd te doen voor een bepaalde grafsteen. Hij sprak wartaal uit en toen we dichterbij kwamen om te zien wat er aan de hand was, besloot hij plotseling zonder reden dat wij er verkeerd uitzagen of zo, en beval een paar wachters om ons onmiddelijk op te sluiten. Werkelijk, dit keer had Thenaka niets fout gedaan. De wachters brachten ons buiten het gezichtsveld van Celindial, en vertelden ons dat we konden gaan, en dat we het de toekomstige keizer niet kwalijk moesten nemen. Naast een opluchting was dit eigenlijk verontrustend. Het was duidelijk dat die mannen niet dachten dat Celindial juiste beslissingen maakte, en maakten dus hun eigen beslissingen. Als iedereen onder Celindial er zo over dacht, was dat geen goed nieuws. Het zou betekenen dat de keizer niets meer te zeggen had, terwijl hij zelf dacht van wel, en uiteindelijk zou zijn positie tot louter ceremonieel worden herroepen. Maar misschien zou het zo'n vaart nog niet direct lopen. Er was altijd nog hoop dat er iets goeds zou gebeuren, en wie weet. Celindial was nog jong, hij zou nog kunnen veranderen, en het respect verdienen dat hij zo nodig heeft.

We hadden gezien dat de naam op de grafsteen van Koran Grasbrenger was. Het leek ons de moeite om uit te zoeken. Zeker Thenaka wou er het fijne van weten. Maar hij had dan ook een bepaald respect voor de Boron-priesters. We gingen naar het gekkenhuis omdat Koran Grasbrenger daar blijkbaar had gewerkt. We vroegen informatie over hem en kregen niet het antwoord dat we hadden kunnen verwachten. Blijkbaar had Koran Grasbrenger hier inderdaad gewerkt, tot hij zelf gek was geworden door zijn dromen, en een patiënt is geworden. Op een dag zou hij blijkbaar zomaar beter zijn geworden. Hij is weggegaan en ze hebben hem nooit meer teruggezien. Blijkbaar was de man getrouwd met een Travia-priesteres. We dachten dat we uit haar misschien wat meer informatie konden krijgen en trokken naar de Travia-tempel. Het werd al laat toen we er naar binnen gingen. Uiteindelijk vonden we de priesteres waar het over ging. Ze heette Sylvana. Het was duidelijk dat het onderwerp “Koran Grasbrenger” niet aangenaam was voor haar om over te praten. Ze kon ons ook niet veel meer vertellen. Ze zei dat de man constant dromen had, elke nacht, van Boron die hem een opdracht gaf. Hij had blijkbaar zijn oude naam begraven, en de Goden afgezworen.

Toen we terug naar buiten gingen, liepen we de Heraud van de stad tegen het lijf. De man had geen kleren meer aan buiten zijn onderbroekje. Hij was helemaal de kluts kwijt en was aan het wauwelen dat hij niet snapte dat niemand hem was komen helpen. We vroegen hem wie dit had gedaan met hem, maar we kregen er geen zinnig woord uit. We moesten hem wel laten doen en verdergaan, want we moesten naar de sterrenzaal in het Olmenkabinet. En we moesten ons haasten. We wilden niet buiten zijn wanneer het donker was. De kans was groot dat we weer zouden worden aangevallen. Maar we geraakten er op tijd. De vergadering werd geleid door Torn Ijsvinger. Ook aanwezig waren Boronian van Rommelise, de lijfwacht van de keizerlijke familie, die niet zo goed zijn werk heeft gedaan, Amilië Grotilian, die pleitte voor het zelfbeslissingsrecht van de burgers, Léomar van Weertlingen, Melcher Drachentöt, Elianië van Lwangen, Magister melewind Stoerebrand, Arius van Wolfen, een praiospriester, Elkarma van Hoogenstein, Araged Fijnmaker, Albrax, Rondrigan en Etsel Burkheldal, een heel zenuwachtig kereltje. Het eerste probleem ging over de dievengilde die de stad onveilig maakte voor veel mensen. We wilden meerdere mensen op wacht hebben staan, maar Boronian wilde er niets van weten. Hij vond dat zijn eigen mannen meer dan genoeg waren. Uiteindleijk moesten we met hem akkoord gaan. We hadden wel een plan uitgewerkt van hoe hij zijn laatste soldaten zou verdelen over de verwoeste stad. Dit vond hij in orde. Het tweede punt van de orde was wie er de leiding ging nemen over Gareth, nu de bevolking dat zo broodnodig had. Ook hier was de nodige discussie over. Ik kon er niet helemaal in volgen, maar ik was wel tevreden met de beslissing. Torn Ijsvinger zou als burgemeester worden benoemd. De rest leek daar ook mee akkoord te gaan, en zo was het conflict snel beëindigt.

Wij dachten dat we misschien moesten gaan zoeken naar het rijkszegek van Praiodan van Luringen. Zo zouden wij het kunnen bewaken. We wisten immers al dat het oog weg was. Het was beter om het hebbeding dichtbij te houden. We kregen richtingsaanwijzingen naar het huis van de man. Het was er heel stil. We belden aan, maar niemand kwam de deur open doen. Toen we door het raam keken, zagen we geen beweging. We braken dan maar in. Als het was om iemands leven zeker te stellen, mocht dat wel, af en toe. Toen we binnenkwamen zagen we Praiodan daar liggen, vermoord. De deur naar de tuin stond open, dus gingen we daar even snel kijken. En toen we achter de tuinmuur keken, zagen we dat er een zwaard vastzat in de struiken. Het was een mooi versierd zwaard, duidelijk niet afkomstig van een arme boer. Erger nog, het was afkomstig van Eslam. Hij had het zelfs nog vol trots laten zien op het toernooi. De zegelring was uiteraard verdwenen.

VXV In de val

Thenaka en Daan vonden dat Etsel iets te zenuwachtig was om onschuldig te zijn, en dus gingen we even met hem praten. Hij verzekerde ons echter dat hij niet zo'n kwade man was als we dachten, maar dat hij de Phex-tempel aanhing. Hij had een beetje gesjoemeld met de boekhouding van Gareth, en was bang dat we erachter zouden komen. Hij nodigde ons bij hem thuis uit, zodat hij ons aan iemand kon voorstellen. We gingen met hem mee, niet verwachtend dat hij kwade bedoelingen kon hebben. Bij hem thuis liet hij ons zien dat hij een geheime kluis had, waarin hij een persoon had verstopt. Netia Trifon, de opperphexpriesteres. Zij en Etsel waren blijkbaar goed bevriend, en hij had haar willen verstoppen voor types zoals de dievenbende. Ze wist ons wel een beetje verder te helpen. Ze zei dat ze vroeger had samengewerkt met een andere dievenbende, die de regels volgde van de Phex-kerk, maar dat die verdreven waren door de nieuwste dievenbende, die de hele stad nog onveiliger maakten dan ze al was. Toen we vroegen waar we de leider van die vorige dievenbende zouden kunnen vinden, verwees ze ons naar een taverne die “De halve pint” heette. Maar het was al donker en het was onveilig om nu nog de straten op te trekken. Etsel was zo vriendelijk om aan te bieden dat we bleven slapen. Dit aanbod namen we met genoegen aan. Ik had geen zin in nog een nachtelijke ontmoeting met ondood gespuis. Eslam was daar ook. We vroegen hem naar het zwaard dat we hadden gevonden bij Praiodan. Hij werd een beetje angstig en vertelde dat hij had gehoord hoe mensen Praiodan hadden vermoord. Hij had zich verstopt achter het muurtje, omdat hij lang niet tegen al die mensen opkon, en daar was hij zijn zwaard kwijtgeraakt. Hij vertelde dat hij ze had horen praten over een ijzeren griffioen. Ik wist dat er zo'n gevaarte bij de Praios-tempel stond. Daar zouden we zeker ook nog naar moeten gaan kijken.

De volgende dag wachtten we tot een redelijk uur, voor we vertrokken naar De halve pint. Er waren niet veel mensen te bekennen, maar in een hoekje aan een tafeltje zat een persoon die een zware matel over zich heen had. Het was duidelijk dat hij met rust gelaten wilde worden, dus gingen we er uiteraard bij zitten. Daan bestelde voor de vreemdeling een goeie pint bier, zodat zijn tong misschien wat losser zou worden. Het bleek dat we inderdaad de juiste persoon hadden gevonden. Zijn naam was Alrik Ragator. Hij vertelde over de nieuwe dievenbende, geleid door een vrouw die de zijne had verjaagd, dat hun gedrag onaanvaardbaar was, en wat meer was, hij vertelde ons waar ze waren gestationeerd. In het amfi-theater, maar enkel op een bepaald tijdstip. Meer hoefden we niet te weten. We zouden erop af gaan. Nu ja, de rest wilde zich eerst nog gaan klaarmaken. Terwijl zij bezig waren, verzorgde ik mijn paardje, en probeerde ik hem een nieuw kunstje aan te leren. Mijn paard was natuurlijk slim, dus slaagde ik erin. De rest had gevonden wat ze graag wilden hebben. Het tijdstip was aangebroken, dus vertrokken we naar de plek waar we hopelijk voor eens en voor altijd de dievenbende konden stoppen.

We stapten het gebouw binnen. We zagen er geen kat. We liepen een stukje verder, de halve cirkel in, toen er plotseling langs alle kanten op ons werd geschoten. We vluchtten een zijgang in. Al snel belandden we in een doolhof en gingen we andere kanten uit, omdat we allemaal ons eigen idee hadden van wat er veiliger was. Ik ging samen met Lyam de zijgangen in terwijl Thenaka en Daan naar boven gingen om onze belagers uit te schakelen, maar al snel werden er dingen van de trap gegooid zodat ze zowat verongelukten. Het leek erop alsof ze wisten dat we eraan kwamen. Ze waren wel heel goed voorbereid. We begonnen nu allemaal het amfi-theater te beklimmen. Als we op één plek bleven zouden we zeker gedood worden. We hadden trouwens vanuit de zijgangen mensen op ons af horen komen, en die konden we ook best voorblijven. Toen we terug aan de buitenkant van het complexe gangensysteem kwamen, zagen we daar de man die de cliënt was van de dievengilde. De man die het oog van de morgen was komen halen. Daan loste een pijl en de man viel achterover. Hij verdween uit het zicht. We snelden erheen, maar werden onderweg afgeleid door iedereen die ons probeerde neer te halen, te doden. Toen we toch uiteindelijk boven waren geraakt was de mysterieuze man weg, net als de dievenbende.

VXVI De ijzeren griffioen

De vechters van de groep waren zwaar gewond geraakt, en ik was zelf ook niet meer in de beste conditie, maar we gingen toch even naar de griffioen kijken waar we eerder over gehoord hadden. Hij zou bij de Praios-tempel staan. We hadden een vermoeden dat de dievenbende daar misschien de zegelring had verstopt. Toen we er aankwamen stonden er echter een paar Praios-priesters op wacht. Ik ging erheen en vroeg ze waarom. Een vrouw vertelde me dat er iemand had geprobeerd in te breken. Die persoon was blijkbaar een vreselijke dood gestorven. Ze hadden hem verkoold teruggevonden. Dit was de griffioen waar Praios-priesters in spe hun test ondergingen om volledig geweid te worden. Maar iemand die niet Praios-bevallig was zou waarschijnlijk gedood worden. Plotseling kwam de opperPraios-priester naar ons toe gewandeld. De broer van Jast Gorsan, die op ons zat te wachten in Elvina. Hij zei dat we mochten proberen in de griffioen te kruipen als we dat wilden. Hij waarschuwde ons echter om enkel de zegelring mee te nemen, als die daar inderdaad lag. Anders zouden we er niet levend uitkomen. Hij zei ook dat we zijn broer moesten vertellen dat hij niet naar Elvina zou gaan, en liever hier bleef, omdat hij hier nodig was. Ik vond hem vreemd genoeg een zeer sympathieke priester. Als laatste gift, zegende hij ons allemaal, waarna hij terug vertrok.

Maar wat nu? Die griffioen was levensgevaarlijk, en ik zou me er liever niet in wagen. Onze beste keuze was Lyam, die de zegening van Oberon, zoon van Praios had. Zo gezegd, zo gedaan. Lyam klom in de griffioen. Hij bleef een tijdje weg tot hij er plotseling terug uit kwam gedoken, gevolgd door een metalen monster. De Praios-priesters die op wacht stonden maakten er direct korte metten mee, en ik probeerde uit het hoopje dat Lyam heette nog een beetje leven te trekken. Dit lukte maar net. Het was duidelijk dat dit inderdaad niet de gemakkelijkste opgave was. Lyam wou wel teruggaan maar ditmaal enkel als ik meeging. Ik hoopte dat een priesteres van de twaalf goden zijn, genoeg zou zijn om het daarbinnen te overleven, en ging mee. Ik wilde immers niet dat de arme bard daarbinnen zou sterven. Ik ging mee met hem en ging een trap af. We kwamen in een kamer die afwisselend donker of licht werd, naargelang we bepaalde pilaren aanraakten. Lyam loste de puzzel na erg lang denken op, en we konden verder in de volgende kamer. Daar verschenen allemaal waardevolle dingen op een altaar, waaronder inderdaad de zegelring die we zochten. We namen het ding en zagen hoe de rest weer langzaamaan verdween. We wilden weer weg gaan, tot Lyam plotseling gek werd, en zei dat hij de gedaante van Oberon had gezien, die had laten zien hoe zijn vader werd geëxecuteerd. Hij had ook een zandlopertje gevonden dat hij absoluut niet wilde laten staan. We vertrokken snel weer, Lyam hopend dat hij zijn vader nog zou kunnen redden, en ik blij dat we de zegelring hadden, en er levend uit waren geraakt. Gelukkig had ik mijn nieuwsgierigheid kunnen bedwingen, en heb ik niets anders meegenomen.

Klaar. Post antwoorden a.u.b. in de daarvoor bestemde thread

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   do jan 07, 2010 10:28 pm

VXVII Einde van de dievenbende

Er werd ons verteld dat op de deuren van het archief, sloten zaten die door dwergen werden gemaakt, dus vonden we geen beter plan dan informatie te gaan vragen aan Albrax. Blijkbaar werd dat soort informatie immers niet vrijgegeven aan niet-dwergen. Maar de hoogkoning wou ons wel helpen. Hij vertelde ons dat die sloten van destijds waren ontworpen door twee dwergen genaamd Arash en Irash. Maar hij kon ons niets vertellen over het type sloten dat erop zat. We gingen vragen aan Rondrigan of hij er iets meer over wist te vertellen, maar ook hij had er geen idee van. Waarom zou hij ook. Hij raadde ons echter aan om in de boekhouding te gaan zoeken. Het zou er allemaal in moeten staan. Zo gezegd, zo gedaan. We gingen naar de boekhouding en zochten naar de namen Arash en Irash. Zo kwamen we te weten dat ze 8 maal een 5-dubbel valslot hadden besteld te Punin. Ook hadden ze 7 bedrade muren met invalmechanisme aangekocht, net als een Minarium Drakenketting van 60 pas. Betekende dat dat er een draak vastzat in de archieven van de KGIA?

Toen we terug naar buiten gingen, om nog even van het zonlicht te genieten, kwamen we Boronian tegen. Hij vertelde ons in allerijl dat Etsel opgehangen was gevonden, en dat dit waarschijnlijk het werk was van de dievengilde. Die arme Etsel. Hij zag er in het begin misschien wel uit als een griezelige gluiperd, maar later was gebleken dat hij echt wel een tof persoon was, die geen al te slechte bedoelingen hadden. Hij had waarschijnlijk enkel zijn mond voorbij gepraat. Maar wat was er nu gebeurd met de Phex-priesteres die bij Etsel zat? We gingen kijken om te onderzoeken, en zagen dat ze verdwenen was. Nu ja, dat was beter dan haar vermoord te vinden. Veel konden we hier niet meer vinden.We moesten gaan. Thenaka had trouwens toch eeen afspraak met Torn Ijsvinger. Ze gingen met elkaar trainen. Er was echt niets dat Thenaka leuker leek te vinden dan vechten. De dag was al ongeveer verloren aan het laatste zonlicht, en we dachten dat we beter onze zachte bedden konden opzoeken in de taverne waar we onze overnachting hadden gereserveerd. Maar toen bleek dat de nacht nog lang niet over was. In de taverne was heel veel lawaai. Het was druk, en de mensen maakten volop plezier met elkaar.

Lyam verdween even naar boven, en kwam even later terug naar beneden met een boek. Hij liet het ding aan ons zien, en Kareja zag onmiddelijk dat het boek ging over geestesbezweringen, oproepingen en banningen, en nam het onmiddelijk over, zodat ze het wat beter kon bestuderen. Vreemd genoeg had Lyam het boek blijkbaar gevonden onder het bed van Daan. Maar voordat we daar nog veel over konden nadenken, begon er een kroeggevecht. Uiteraard had Thenaka er iets mee te maken, maar dat niet alleen. Ook Alrik, de vroegere leider van de dievenbende was erin betrokken. De kroezen vlogen ons om de oren. Ik ontweek langsvliegend meubilair, en kon niet anders dan medelijden voelen met de eigenaar die weer een dure rekening gepresenteerd zou krijgen. Nu ja, ik wou er geen deel aan nemen, en vertrok gewoon naar mijn kamer, zodat ik al wat zou kunnen slapen. Dan zou ik tenminste zijn uitgerust de volgende dag.

De volgende dag ging ik een bezoekje brengen aan de Tsa-tempel. De meeste tempels waren immers volledig vernietigd. We hadden echter een beetje heling nodig, nu ja, vooral de rest van de groep dan, en de Tsa-tempel stond tenminste nog voor de helft recht. Maar toen we binnengingen... ik had me niet kunnen voorbereiden op wat ik daar zag. Alle priesters die niet waren weggegaan, waren dood. Ze waren vermoord door de horde die langs was gekomen. Er lagen ook lichamen van Rondra-priesters die overduidelijk hadden geprobeerd om mijn broeders en zusters te beschermen. Maar ook zij waren tenonder gegaan. Het was een ware slachting. En waarom? Zij hadden ook kunnen weggaan, naar Elenvina, met de rest van de Tsa-priesters, maar deze nobele zielen hadden verkozen om hier te blijven, om mensen te helpen. Ze hebben het moeten bekopen met hun leven. Het was een droevig zicht. Dat nog niemand hun lichamen had proberen weghalen, begreep ik niet. Moesten ze hier maar liggen wegrotten? Moesten de mensen die hier nog een beetje troost trachtten te zoeken, dit schouwpel aantreffen? Ikzelf had er in ieder geval genoeg van. Ik verliet de gehavende tempel met de rest van de groep vlak achter me.

Rondrigan en Drego kwamen ons plotseling tegemoet met een gevangene die ze hadden veroverd. Die had gefloten als een vogeltje en had de werkelijke locatie van de dievengilde verklapt. Ze verstopten zich blijkbaar in het molenaarskwartier in een ondergrondse sluis die daar ergens was. De sluis had 3 uitgangen. Wij zouden naar één uitgang gaan, de soldaten naar een tweede, en jawel, de oude dievenbende naar de derde en laatste uitgang. De dievenbende en de soldaten hadden hun geschillen opzij gezet om de moordenaars in de sluis op hun nummer te zetten. Ik vroeg me af hoe lang die fragiele alliantie stand zou houden nadat alles was opgelost. Zo gezegd, zo gedaan. We gingen allemaal op onze posities staan, en vielen de sluis binnen. De dievenbende binnenin had ons gelukkig niet zien aankomen, en waren verward toen ze ons zagen. Het gevecht begon. Daan maaide vijanden neer met zijn zeer sterke vaardigheden in boogschieten. Thenaka op zijn beurt was een wervelwind van vlijmscherpe messteken. Al snel hadden we Ifernia waar we haar wilden hebben. De overgebleven dieven gaven zich over. Ifernia werd al snel ondervraagd, en slaagde er niet in om haar tong stil te houden. Ze vertelde dat haar opdrachtgever Orsino was geweest. Wij kenden deze Orsino al. Hij was diegene die de speer had gestolen destijds. Blijkbaar was de man op weg naar Elenvina, de plek waar wij ook heen moesten. Jast Gorsam had ons immers uitgenodigd op het toernooi bij hem.

Onze volgende stap werd snel beslist. We zouden ons klaarmaken, en de volgende dag samen met Rondrigan en Eslam naar Ferdok gaan. Daar zouden we een schip kunnen nemen dat ons zou voeren naar de glorieuze stad Elenvina. Zo gezegd, zo gedaan. We gingen ons voorbereiden. Ik ging mee met Daan. Ik hielp hem om goedkoop aan een helm te komen die hij nodig had. Zelf ging ik wat verbandjes kopen. Ze zouden zeker van pas kunnen komen. Ook gingen ik en Lyam naar “Marcel”. Hij zou vast met ons meewillen naar Elenvina, weg uit het gevaarlijke Gareth. We zouden de volgende dag vertrekken. Nog één nachtje slapen. Maar die nacht, kwam Daan plotseling uit zijn bed. Hij wandelde wat rond, naar ik heb horen zeggen. Zelf heb ik er niet veel van gemerkt, maar kom. En toen was het tijd. “Marcel” stond klaar, de paarden stonden klaar, en we konden vertrekken naar Ferdok. De reis verliep zonder al te veel problemen, en al snel kwamen we in Ferdok aan. De plaats deed koude rillingen over mijn rug lopen, omdat Ferdok ook de naam was van de naamloze priester die we af en toe door een ongelukkig toeval tegengekomen. Spijtig genoeg, moesten we onze paarden daar achterlaten, want die konden niet mee op het schip. We wilden net aan boord klauteren toen we plotseling de burgemeester van Gareth zagen. De oude burgemeester die zijn post had verlaten, en nu duidelijk probeerde weg te vluchten voor dit alles. Maar we hielden de man tegen, en Thenaka leverde hem braafjes uit aan de soldaten. En van daaruit begon onze volgende reis, op het schip “De forel”.

Klaar!

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   di feb 02, 2010 8:10 pm

VXVIII De weg naar Elenvina

Op het ship “De forel” hadden we niet veel meer te doen, dan kijken naar de beboste oevers die aan ons voorbij gleden. Het water was rustig en voor een keer moesten we ons geen zorgen maken over de gevaarlijke, verderfelijke straten en huizen die ooit Gareth waren. Rondrigan was uiteraard moeilijk te ontwijken op het schip. We kwamen hem geregeld tegen. De arme man was er helemaal kapot van dat de vrouw waarvan hij heimelijk hield, gesneuveld was. En uiteindelijk storte hij in. Hij vroeg ons al die nutteloze vragen. Waarom was ze mee gaan vechten? Waarom was ze niet rustig achtergebleven. Hij had ook het gevoel gehad dat er al iets mis was geweest met haar voor de hele slag die zich in Gareth had afgespeeld. Ik was liever eerlijk en vertelde dat Rohadja zwanger was geweest, en dat Dextrot haar waarschijnlijk had gedwongen om het kind in haar buik te doden. Bij deze woorden werd Rondrigan zeer kwaad op de nu dode Dextrot. Aan de ene kant was hij geschokt dat zijn geliefde zwanger was geweest. Hij wou waarschijnlijk ook weten van wie, en aan de andere kant walgde hij van Dextrot. Dat de oude man een ongeboren kind had gedood was blijkbaar iets dat hij hem niet kon vergeven.

Niet lang daarna vonden we Rondrigan terug op het schip, diep in verhitte discussie met Eslam. Ze waren aan het ruzieën over Rohadja. Rondrigan was er net achtergekomen dat Eslam de geliefde was geweest van Rohadja, en dat het kind dat ze had gedragen van Eslam was geweest. Eslam werd daar kapot van, want die arme man wist nog niet eens dat Rohadja zwanger was van zijn kind, en nu hij het wel wist, was zij, en hun kind dood. Hij was een gebroken man. Rondrigan leek toch een beetje medelijden te hebben met zijn semi-lotsgenoot. Stilzwijgend hebben ze het bijgelegd, en er werd verder geen woord meer over gezegd. Ik voelde me al een beetje schuldig dat ik mijn mond had voorbijgepraat, maar aan de andere kant vond ik dat ze de waarheid wel moesten weten. Niemand van de groep reageerde echt op de twee rouwende mannen. Vooral Thenaka en Daan vonden dat de twee moesten stoppen met huilebalken te zijn.

Nadat al deze geschillen waren besproken en ongeveer een beetje uitgepraat, stopte het ship in een klein dorpje aan de waterkant. We gingen daar in een herberg paarden halen, zodat we niet helemaal te voet moesten gaan naar Elenvina dat zoiezo een paar dagen reizen weg was. Met de bescherming van de groep naast mij, trokken we verder. Niet dat ik me tegenwoordig nog onveilig voelde, maar je weet maar nooit wat je tegen kan komen. Vooral omdat we net de prachtige stad Gareth ten onder hadden zien gaan. De toekomst zag er nu eenmaal grijs uit. De nachten die tussen ons en Elenvina lagen, brachten we door in het bos. Overdag trokken we met gestage snelheid verder. En op de laatste dag, hoorden we van achter een heuveltje, maliënkolders klinken. We waren uiteraard een beetje bang bij het horen van harnassen en metaal, dus klom Daan stilletjes de heuvel op, om te kijken wat er ons stond op te wachten. Toen hij terugkwam, vertelde hij dat er een groepje bewapende soldaten stonden, met hun zwaarden getrokken. Natuurlijk besloten we om ze te ontwijken door door het bos te trekken, zo stilletjes mogelijk. We omzeilden ze zonder problemen, maar vroegen ons af waarom die mannen, die Daan had geïdentificeerd als Albaniërs ons zo stonden op te wachten. Het leek er half en half op dat Franka een moordaanslag probeerde. Maar we moesten niet te vroeg conclusies trekken. Na nog een korte weg wandelen, konden we de stadspoort van Elenvina zien. We gingen naar binnen, maar eerst werden onze wapens afgenomen. Alleen Thenaka mocht het zijne houden, terwijl hij juist de meest gevaarlijke was.

VXIX In Elenvina

We werden verwacht door edellieden van de hoge adel, en werden geleid naar een samenkomst van alle adel en belangrijke mensen, waaronder zelfs de toekomstige keizer Celindial. Wij werden aangekondigd met onze rechtmatige titels en gingen zitten. We probeerden niet te dicht bij Jast Gorsan te gaan zitten, omdat Rondrigan ons had gewaarschuwd dat mensen dachten dat wij aan zijn kant stonden. Blijkbaar had hij ons altijd aangewezen als 'zijn' helden. Ik had het niet opgemerkt, maar blijkbaar vele mensen wel. Toen iedereen er was, begon men te spreken en te discussiëren. Eerst en vooral wilden ze van ons weten of Rohadja en Emer nu al dan niet dood waren. En nog steeds vertelden Daan en Thenaka vol zelfvertrouwen dat Rohadja zeker nog leefde, want ze hadden haar niet zien doodgaan. Zelfs van Emer zeidden ze dat ze nog zou kunnen leven, omdat Razazor haar had meegenomen. Iemand anders daar vertelde ook dat hij dingen had horen kraken toen Emer in de bek van Razazor zat. Ik dacht dat het maar eens tijd werd dat ik opgaf met mijn tegenstribbelingen, en gewoon de rest gelijk gaf. Zij waren zo overtuigd dat Rohadja niet dood was. Misschien moest ik ze er maar in steunen, dus ging ik maar mee in hun beweringen. Voor de rest werd er gesproken over de heldendaden van Dextrot Nemrod. Er werd een heldenprocedure op gang gezet waardoor Dextrot zou worden aanschouwd als held. Voor de rest vertelde Jast Gorsan nog dat er absoluut niet mocht worden gevochten in Elenvina en dat iedereen die dit verbod schendde een zware straf zou ondergaan, adel of niet. Na deze woorden ging het volk uiteen, op naar hun tenten buiten de stadsmuur, of in hun herbergen in de stad.

Wij gingen nog even praten met Jast Gorsan. We bedankten hem voor de uitnodiging, en vertelde hem hoe erg we het vonden wat er was gebeurd met de keizerlijke familie, en natuurlijk Gareth. Hij betuigde duidelijk mededogen. Maar hij had het natuurlijk druk. Ik zag dat hij nog problemen had op te lossen, wat alleen maar logisch was op dit moment. Daarna gingen we samen met Rondrigan en Eslam praten met Celindial. De jongeman leek zeer onzeker, en had tijdens de samenkomst dan ook geen woord gezegd. We vroegen hoe het met hem ging, en gaven hem de raad dat hij toch iets zelfverzekerder zou moeten worden als hij de nieuwe keizer van Avonturië zou worden. Toen draaide hij een knop om, gaf me gelijk en leek plotseling een heel ander mens. Toen Rondrigan even later iets tegen Celindial zei dat hij duidelijk niet graag hoorde, sloeg hij de arme man recht in zijn gezicht. Mijn vermoedens werden enkel bevestigd. Die jongen was echt stapelgek, en hem op de troon zetten zou ervoor zorgen dat het rijk, of toch minstens het keizerschap ten onder zou gaan. Hij verontschuldigde zich toch nog, maar we lieten hem al snel met rust. Hij was geen aangenaam gezelschap. Rondrigan zei er niets meer over. Hij zei dat hij een best grote tent had, en dat we, als we dat wilden bij hem mochten blijven slapen. Zo zouden we toch al geen geld moeten uitgeven in een herberg. We namen het aanbod aan. Ik zat al lang op het punt dat Ik rondrigan vertrouwde, dus waarom niet. Maar voordat we terug zouden gaan naar de tent, moest ik nog naar de Tsa-tempel. De Tsa-priesters van Gareth hadden immers Bloempje meegenomen naar Elenvina, en dus werd het hoog tijd dat ik hem terug zag, en gewoon terughad.

Ik vond de tempel al vrij snel. En eenmaal binnen, sprak ik de eerste de beste priester aan, om te vragen of hij wist waar Bloempje was. Ik werd naar mijn beestje toegeleid en mocht hem terug meenemen. Ik wist dat het Bloempje was, want hij had het amulet nog aan dat ik aan hem had gegeven. Ik gaf nog een donatie aan de tempel, en nam Bloempje zo stiekem als je een draak kan smokkelen, naar de plek waar de tent van Rondrigan zou moeten staan. Daar ging ik de tent binnen, en stelde Bloempje voor aan de rest van de groep. Ik nam het amulet terug voor mezelf en begon onmiddelijk met Bloempje een klein lesje te geven. Ik wilde immers zeker weten dat hij geeen mensen zou pijn doen. Het beestje zou opgroeien tot een grote, sterke, en niet te vergeten vuurspuwende draak, dus dat wilde ik een beetje in toom houden. Dus leerde ik Bloempje aan om enkel vuur te spuwen wanneer ik zei dat het mocht. Ergens in een hoekje zag ik dat Lyam zat te mokken. Hij was er niet blij mee toen zijn geliefde goddelijke zwaard plotseling in rook opging, en was er sindsdien een beetje kapot van. Een klein beetje maar. Hij wilde ook zo graag een sierzwaard om mee te nemen naar het rijkscongres. Het is omdat het Lyam was, en ook omdat het een sierzwaard zou worden, dat ik voorstelde om met hem te gaan winkelen voor zo'n hebbeding. Ik zou ervoor kunnen zorgen dat de prijs die hij zou moeten betalen, haalbaar zou zijn, en dan was de bard ook weer blij. Dus ging ik naar de smid die Lyam me aanwees. Blijkbaar had Lyam al met hem gesproken. Hij vertelde me wat Lyam had gezegd dat hij wilde. Ik nam aan dat hij de waarheid sprak, maar ontdekte een tijdje later dat hij me had proberen af te zetten. Maar ik heb zwaar onderhandeld over de prijs, en uiteindelijk bleef er niets van de vraagprijs over. Lyam kon het zwaard enkele dagen later ophalen.

VXX Edellieden

We wisten waar Orsino zat. De man die het oog van de morgen had gestolen. We gingen op de man af naar he toe, maar uiteraard zei hij dat hij het druk had. Vreemd genoeg nodigde hij ons echter uit om enkele dagen later bij hem te komen eten. We namen zijn aanbod aan, maar vertrouwden het niet helemaal, dus gingen we naar onze goede vriend Tyros Prahe. Hij zou vast wel weten wat we moesten doen om onszelf te beschermen tegen vergiftigd eten. Hij zei dat hij wel een oplossing had, maar niet de juiste ingrediënten. We moesten voor hem gaan zoeken naar een soort wortels. Daan, die was opgegroeid in een woud, wist ze goed te vinden en dus konden we de wortels snel brengen naar de oude alchemist. Hij begon eraan, maar het zou even duren. Gelukkig moesten we nog niet diezelfe avond naar Orsino. De rest van de dag bracht ik door met Bloempje, en de volgende dag, gingen we terug naar 'Marcel'. Hij had poedertjes klaar die we gewoon op ons eten moesten strooien, en dan zou elk gif geneutraliseerd worden. We bedankten hem, en gingen op weg. Thenaka stelde voor om alles bij te houden, zodat hij zou kunnen doen of het een kruid was dat hij had meegenomen, en dan kon hij dat met ons 'delen'. Ik was verbaasd dat hij zo'n goed plan had bedacht. We gingen naar Orsino. In het begin was het eten vrij beschaafd. Het was duidelijk dat de spanning te snijden was, en dat er meer aan de hand was dan een simpele ontmoeting. En zodra we de kruiden op ons eten hadden gedaan, waaronder Orsino zelf ook, kwam hij ter zake. Hij zei dat we gewoon onmiddleijk moesten zeggen wat we kwamen doen, dus zeiden we dat we het oog terug wilden hebben. Hij zei jammer genoeg dat hij het niet meer had. Blijkbaar zou Jast Gorsan het moeten hebben.. Orsino zei dat Jast Gorsan iets van hem had waarmee hij hem in controle had, en dat hij daarom het oog had gestolen. Daarna liet hij ons vertrekken.

Iedereen was uiteraard onmiddleijk overtuigd dat Jast Gorsan de slechterik was, en dat na alles dat hij had gedaan voor ons. Ze stonden er niet eens eventjes bij stil dat Orsino zou kunnen liegen. Ik vond het een ondankbare gedachte maar ik sprak er niet over. We gingen terug naar de tent van Rondrigan, en die vertelde dat er een vrouw, genaamd Isora was teruggekeerd naar Elenvina. Blijkbaar was deze vrouw verbannen, tot nu dan, en was ze dus terug. Hij waarschuwde ons dat we haar niet moesten vertrouwen. Ze zou een familielid zijn van Jast Gorsan. Maar dat zei natuurlijk niets. Niet veel later kwamen we vreemd genoeg Franka Galahan tegen. Ze was niet onmiddelijk de persoon die ik wilde zien, maar toch kwam ze zomaar ongegeneerd de tent binnenwandelen. We vroegen haar gewoon op de man af, waarom er mensen van haar aan het wachten waren langs de weg naar Elenvina, met getrokken wapens. Ze zei dat ze ons wilde beschermen, maar ik geloofde er niet veel van. Ze probeerde ons er nogmaals van te overtuigen dat we verkeerd bezig waren door contact te hebben met Jast Gorsan, en ik was er even gecharmeerd door als de vorige keren. Niet. Waarschijnlijk mede door mijn onverdraagzaamheid jegens haar, vertrok ze snel. Ik zag dat Rondrigan vond dat ze gelijk had, maar hij zei er niet veel van. Daarna gingen we gewoon slapen, want de dag was weeral om.

De volgende dag liepen we wat in de stad rond, en ik kon soms mijn oren niet geloven toen ik bepaalde dingen hoorde. Zo hoorde ik bijvoorbeeld dat er in de Galotta-toren soms licht is gezien in het midden van de nacht, terwijl deze toren niet eens een ingang had. Er werd ook gezegd, dat ze toch de burchtmagiër in de buurt hadden zien rondlopen, en dat hij misschien naar binnen was gegaan. Dus zijn we gaan spreken met de hoofdmagiër om te zien of hij iets wist. Ruana was daar ook. Blijkbaar had de magiërsgilde ook geld ontvangen van Jast Gorsan terwijl algemeen geweten was dat Jast Gorsan magie haatte. Het was een beetje vreemd, maar ach. De hoofdmagiër liet niet veel los. Eigenlijk liet hij niets los, en dus lieten we ons onvruchtbare gesprek snel achter ons. We gingen gewoon terug naar de tent. Maar voor we daar konden geraken, moesten we voorbij de paardenstallen, en daar zagen we dat de Alberniërs waaronder Franka Galahan aan het ruziemaken waren met de Noordmarkers. Er mocht niet gevochten worden en er mochten geen wapens getrokken worden,maar het zag er toch naar uit alsof dat niet lang zou duren. En toen kwamen er nog meer Noordmarkers met wilde honden aan kettingen. De honden leken compleet gek te zijn, en werden agressiever naarmate ze dichter kwamen bij de Alberniërs. En toen broken ze los. De Noordmarkers konden ze niet houden, en de beesten vielen aan. Overal braken er gevechten uit en Franka raakte al snel zwaargewond. En toen kwam daar Jast Gorsan. Woedend riep hij dat het gevechten moest stoppen en dat de volgende die nog iets misdeed persoonlijk door hem zou worden opgehangen. En toen was het snel gedaan.

Gedaan

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   wo feb 03, 2010 2:41 pm

VXXI Het rijkscongres

Na de vreselijke aanval op Franka Salva Galahan, werd ze weggebracht om door de Peraine-priesters te worden verzorgd. Natuurlijk bleef wel het enigma. Waarom vielen die honden Franka aan. En indien het kwaad opzet was, wie zat er dan achter? We dachten dat misschien onze vriend Tyros Prahe wel iets wist over iets dat de honden tegen Franka had kunnen keren. Het leek immers sterk op magie. We wisten niet wat het anders zou kunnen zijn. We vonden 'Marcel' op de gewoonlijke plek, waar hij uiteraard weer zijn soep stond te verkopen. We gingen naar hem toe, en stelden hem onze vragen. Maar zodra we begonnen aan onze uitleg, schrok Tyros duidelijk van iets. Hij zei dat er bestinoden achter konden zitten, een drankje waardoor dieren een bepaalde persoon zouden aanvallen. De drank bestond uit twee delen. Het Furorium, dat aan de dieren werd gegeven, en het Destinadem, dat moest ingenomen worden door de bestemde persoon. De reden dat Tyros zo schrok, was omdat iemand hem enkele dagen ervoor had gevraagd om de drank te maken. Hij had geweigerd, enerzijds omdat hij dat soort dingen niet meer deed, en anderzijds omdat hij er slechte ervaringen mee had, zelfs met onschuldige dieren zoals schapen en schildpadden. We bedankten hem voor de informatie en lieten hem aan zijn soep.

We gingen terug naar de tent waar we niet enkel Rondrigan, maar ook Boronian vonden. Zodra we binnenkwamen keek hij ons smalend aan, en spuwde ons de naam 'de helden van Gareth' toe. Hij vroeg waar we waren geweest. Zijn vraag verklapte duidelijk dat hij dacht dat we ons niet nuttig bezig hielden. De gemoederen werden verhit en Daan haalde woordelijk uit naar Boronian. Boronian, die zichzelf heel belangrijk vond, benadrukte nog maar eens dat hij een belangrijke positie had, en dat we hem moesten respecteren, of anders... Ik herinnerde hem eraan dat hij al ettelijke keren had gefaald, en dat hij niet veel kansen meer over had om zichzelf te bewijzen. Uiteraard werd de man nog kwader, tot Rondrigan hem eindelijk de tent uitstuurde. Rondrigan verontschuldigde zich voor Boronians gedrag, maar kon zelf ook niet lang meer blijven, omdat het rijkscongres voor de deur stond. Ook wij wachtten erop.

Toen het rijkscongres begon werden we elk aangekondigt met onze eigen titel. Enkel Daan werd gewoon aangekondigt als een grenswachter. Binnen waren er natuurlijk heel veel mensen. Zelfs Franka was er, al zag ze er niet goed uit. Ze zat een beetje onderuit gezakt in haar stoel. Wij werden naar stoelen geleid die Jast Gorsan blijkbaar had voorzien voor ons. Toen uiteindelijk Celindial naar binnen kwam, hield het geroezemoes op, en stond iedereen op, zelfs de zwaargewonde Franka. En toen begon het rijkscongres. Wederom werd er aan ons gevraagd of Emer en Rohadja dood waren. We moesten antwoorden met ja of nee, dus zeiden we maar nee. We gaven Rohadja het voordeel van de twijfel. Emer niet zozeer. Er werd veel gezegd over wie er nu de macht zou moeten krijgen, en waarom dit wel of niet kon. De opties werden overwogen, en zoals altijd werd er wat gekibbeld. En nadat alle opties waren verkend en overwogen, werd de nieuwe rijksregent verkondigt. Er moest een rijksregent komen omdat Rohadja misschien nog in leven was, en nog terug kon komen. De rijksregent moest daar twee termijnen van 7 jaar op wachten. En die rijksregent was,... Jast Gorsan. Iedereen was geshoqueerd door dit nieuws. Het kwam wel heel onverwacht. De doodse stilte werd snel doorbroken door woedende protesten van de Alberniërs, gejuich van de Noordmarkers, en gefluister en gekibbel onder de rest. Jast Gorsan riep toen luid dat we voor hem moesten knielen. En dat deden we dan ook. Maar de Alberniërs, waaronder uiteraard Franka Galahan bezwaarden. Ze wilden niet aanvaarden dat Jast Gorsan de rijksregent was geworden, en vonden dat het keizerrijk dat ze zo graag hadden gediend, niet meer hetzelfde was. Ze wilden niet dienen onder Jast Gorsan. Na vele bezwaren, protesten, geklaag en gehuil, vertrokken de Alberniërs uit de zaal, en uit Elvina. Ze wouden worden aangezien als rijksverraders, en de oorlog worden verklaard. Nadat dit voorbij was, vormden de overgebleven dienaren een rij om trouw te zweren aan de nieuwe rijksregent. Ook Thenaka zweerde trouw aan hem, als ridder van het tweede kruis. En toen dat alles gedaan was, gingen we terug naar onze tent. We waren moe, en de toekomst zag er nog uitzichtlozer uit dan we eerst hadden gedacht. Het was dus tijd om te gaan slapen.

VXXII Dextrot

Midden in de nacht werd ik wakker door enkele luide geluiden, en gekakel van een kip. Ook de rest was wakker geworden. Toen we buiten keken, zagen we Daan die bezig was een kip te vermoorden. Zijn handen hingen onder het bloed van de nu dode kip. We maakten hem wakker uit zijn bizarre roes en toonden hem waar hij mee bezig was. Hij schrok een beetje, ging zijn handen wassen, en ging terug gewoon slapen, zodat wij dat ook konden doen. Lyam bleef nog iets langer acher, maar ik was te moe om me daar zorgen over te maken. De volgende morgen zei Rondrigan dat we verwacht werden in het midden van het woud, ergens waar er een standbeeld zou moeten staan, rond een bepaald uur. Uiteraard deden we dit dan ook, enkel om voor een grote verassing te komen staan. Daar, bij het standbeeld in het bos, stonden Celindial, Franka, Eslam en Rondrigan. Ze vroegen ons wat wij ervan vonden dat Jast Gorsan rijksregent was geworden. Toen we vertelden dat we het niet zo geweldig vonden, lieten ze ons weten dat ze het ook een slechte ontwikkeling vonden. Van Franka had ik dat verwacht, maar dat Celindial in opstand kwam, vond ik vreemd. We vormden de groep van de vos en de griffioen met het doel om het échte keizerrijk te dienen. En ons eerste doel, zou zijn om het oog van de morgen terug te krijgen. Maar daar begon het probleem al. We vermoedden dat het oog zich in de toren van Galotta bevond, maar hoe konden we daar binnen geraken? De bewaking was moeilijk om doorheen te komen. Jammer genoeg had Daan het stomvervelende idee om dan en daar te verkondigen dat Tyros Prahe nog in leven was, en zich hier in Elvina bevond. Hij hoopte dat die zou kunnen helpen met binnen te komen. Maar Tyros had een alias aangenomen om niet meer gebruikt te worden. Ik en Lyam lieten Rondrigan beloven om de oude alchemist nergens meer toe te dwingen, zoals zijn voorganger ooit had gedaan.

Met een nieuw plan in gedachten, gingen we weg van het standbeeld, en weer op zoek naar Tyros, zodat Daan kon vragen wat hij wou. We aten eerst een beetje van zijn soep, met de helende krachten. En toen vroeg Daan hem of hij geen onzichtbaarheidsdrank kon maken voor ons, zodat we in de toren konden binnen sluipen. Hij zij dat hij dat wel kon, maar dat hij daarvoor bepaalde ingrediënten nodig had, die hij niet onmiddelijk bij de hand had. Maar Rondrigan wist wel iemand zijn die de ingrediënten zou kunnen hebben. Een oud kruidenvrouwtje dat buiten de stad woonde omdat ze was verstoten. Blijkbaar dachten de mensen dat ze een heks was, en dat werd niet getolereerd in deze stad. We gingen naar haar op zoek, en vonden haar onmiddelijk. Ze was eerst wat schichtig en kortaf, maar toen ze doorhad dat we niets kwaads in de zin hadden gaf ze ons de kruiden die we nodig hadden, voor een prijsje natuurlijk. Maar toen Daar vermelde dat het diende om Jast Gorsan – die haar had verstoten – een hak te zetten, liet ze ons de kruiden meenemen voor een symbolische stuiver. Toen gingen we terug naar Tyros om de kruiden af te geven. Hij zei dat het drankje maken wel enkele dagen zou kunnen duren. Dus zat er niets anders op dan te wachten.

Die nacht vroeg Daan of we over hem wilden waken. Hij was bang dat er iets zou gebeuren. Dat wilde ik wel doen. Ik was immers nieuwsgierig of er weer iets vreemds zou gebeuren. En jawel hoor, toen mijn ogen bijna dicht vielen, stond Daan recht, en wandelde de tent uit. Ik besliste om hem te volgen. Hij liep het bos in en ging op een open plek op de grond zitten. Hij nam een dolk en stak ermee door zijn handen, waarna hij een hexagram op de grond tekende in zijn bloed. Ik zag niet goed wat hij daarna deed, maar ik zag wel dat er een verschijning tevoorschijn kwam. Hij kon niet bij Daan komen die in het hexagram zat. De geest leek erg op Dextrot. Het leek erop dat Daan nu ook wakker was geworden, maar hij kon niet weg, want de geest zag er kwaad en gevaarlijk uit. Niet dat ik niet begreep dat Dextrot kwaad was op Daan, maar toch. De geest zag mij, en ik liep weg. Ik ontweek een aanval, en ging terug naar de tent om hulp te halen. Ik maakte iedereen wakker, en wees ze de weg naar de open plek. Toen ik weer terugkwam zag ik dat de geest nog steeds probeerde om bij Daan te komen. Thenaka stormde natuurlijk naar voren, met zijn zwaard getrokken. Lyam was natuurlijk ook van de partij, maar iets later. Toen Thenaka uithaalde naar de geest met zijn zwaard, bleef het ding steken, zodat de geest hem langzaam de lucht in tilde. Lyam trachtte ook uit te halen maar was er niet zo goed in. Daan, die nu ook wakker was geworden, durfde niet uit het hexagram te komen. Thenaka liet uiteindelijk het zwaard los, en viel op de grond. Ik weet niet hoe ze het gedaan hebben, maar ze slaagden er uiteindelijk toch in om de geest van Dextrot terug te sturen naar waar hij vandaan kwam. We wilden Daan net ondervragen, om te weten te komen waar hij nu in hemelsnaam mee bezig was, maar op dat moment hoorden we gestommel en gekraak, overal rondom ons.

Omdat we geen kant op konden, bleven we in het midden bij elkaar op een klein hoopje. En toen kwamen uit de struiken, en vanachter de bomen hopen zombies op ons af. Ik probeerde wanhopig om het stukje grond rondom ons te wijden, zodat de creaturen niet de dicht bij ons zouden kunnen komen. De weiding zorgde er wel voor dat enkele zombies tot stof vergingen, maar de rest bleef op ons af komen. Het was dus de beurt aan de stoere krijgers, die jammer genoeg door de haast nog in hun slaapkledij stonden. Ze hakten er op los terwijl ik wanhopig probeerde om de aanvallen van de monsters te ontwijken. Ik had echter niet altijd even veel geluk. Maar uiteindelijk slaagden we erin om de zombies neer te krijgen. Spijtig genoeg duurde het niet lang voor er skeletten op ons af kwamen. Wat meer was, vanuit het niets vuurde er iemand een spreuk op ons af! We waren veel te moe en gehavend om nog verder te vechten, en besloten om weg te vluchten. Toen we terug aan het tentenkamp kwamen, sloegen we alarm. Snel genoeg maakte iedereen zich klaar om tegen de aanstormende ondoden te vechten. Ik besloot maar om binnen te gaan, want ze sloten de poorten, en buiten kon ik niet veel doen. Daan stuurde Bloempje nog over de muur heen, zodat die bij mij kon blijven. Er kwamen veel meer ondoden aan dan ik oorspronkelijk had kunnen verwachten. Goed, het leger was veel kleiner dan hetgene dat Gareth had aangevallen, maar toch. Thenaka was op zijn vliegend tapijt gekropen, terwijl Daan met gemak de muren beklom, en de rest achter zich liet. En dan gebeurde er iets vreemds. Thenaka begon plotseling bliksemschichten uit zijn handen te schieten, waarmee hij de ondoden in grote getale neermaaide. Tegelijkertijd kwam er uit een zijpoort cavalerie gereden met Jast Gorsan aan kop. Ook zij begonnen op het vijandige leger in te hakken. Uiteindelijk, was het leger verslagen, en konden de gewonden worden verzorgd, en de rest van de mensen die nog in leven waren, konden gaan uitrusten. Waar het kleine leger plotseling vandaan was gekomen, bleef voor mij een raadsel.

VXXIII De toren van Galotta

Onze spullen waren allemaal vernietigd. Hetgeen in de tent lag tenminste, want we konden niet alles meenemen of in veiligheid brengen voor het leger er was. En Lyam zat dus in zak en as omdat zijn gitaar kapot was. Ik stelde voor om met hem mee te gaan kijken naar een nieuwe gitaar. Hij zei dat geen enkele gitaar zijn oude kon vervangen, maar we konden proberen. In de winkel waren gitaren van verschillende kwaliteiten. Er was zelfs een meestergitaar die best wel wat koste. Die arme Lyam zou dat nooit kunnen betalen. Ik probeerde de winkelier te overtuigen om de prijs wat naar beneden te doen, en wonder boven wonder... hij verkocht het ding voor een kreuzer. Daar zeiden we natuurlijk geen nee tegen, en Lyam was toch heel blij met zijn gitaar. De rest was op zoek gegaan naar Tyros, om te kijken of die het onzichtbaarheidsdrankje al had gemaakt, maar ze kwamen terug met lege handen. Blijkbaar waren ook zijn spullen vernietigd geweest. Hij zou er wel een nieuwe kunnen maken, maar we hadden geen tijd meer. Het gerucht ging dat de bewaking de volgende dag zou versterken, dus het was nu of nooit. Zo gezegd, zo gedaan. We gingen overnachten in een herberg die uitkeek over de muren van de toren, zodat we konden bekijken hoe we het beste over de muur heen konden, en de toren zonder deur in konden sluipen. Eenmaal dat we dit hadden bekeken, gingen we aan het werk. We gingen één voor één de muur over, proberend om niet gezien te worden. Achter het muurtje kropen we in de struiken. Door Lyam werden we een paar keer bijna verraden, maar uiteindelijk kwam het toch goed. We kwamen ook voorbij de tweede ring van bewakers en zagen er nog twee staan voor de toren. Het was logisch dat de deur ergens was waar de bewakers zich bevonden. Daan en Thenaka sloegen de bewakers gelijktijdig bewusteloos, en we zochten naar de ingang. Uiteindelijk hadden we door dat een deel van de muur een illusie was en dat we daar naar binnen konden gaan. Dat lukte. We sleepten de bewakers mee naar binnen, zodat ze niet werden opgemerkt.

De toren bestond uit 3 verdiepingen. Hier was er niet veel te zien. Er was een kast, en Thenaka kwam op het idee om de soldaten voorlopig daar maar in te stoppen. Leek een goed idee, tot we plotseling een gestommel hoorden in de kast, gepaard gaand met schreeuwen. De kastdeur kregen we niet meer open. Dat was eigenaardig. Ik zag een boek liggen en ging kijken wat het was. Het bleek een boek te zijn over de goden, ééntje dat ik al vaak had gelezen. Zo interessant was het dus niet. We gingen een deur door, en maar zagen niets dat interessant leek. Toch al zeker niet het oog van de morgen. Maar toen we terug in de hal kwamen, zagen we dat een bladwijzer die voorheen op tafel had gelegen, nu stevig in de deur zat, alsof iemand hem erin had gegooid. We wilden zo snel mogelijk weg, en besloten om in de kelder te gaan kijken. Het was er donker en we hadden geen fakkels bij. We wilden de kamer onderzoeken, maar we werden plots aangevallen door een groot vliegend hert. Er werd snel mee afgerekend, maar we hadden het er wel gezien, dus gingen we terug, om naar de tweede verdieping te gaan. Op de tweede verdieping hingen er allemaal messen aan het plafond. Het gaf een enge aanblik. We gingen snel een deur in en kwamen in een slaapkamer. Terwijl je daar zo stond zag je een strand, en een meisje dat uit het water kwam gelopen, en ergens anders een gespierde Galotta die ook het water kwam uitgelopen. We gingen snel naar een andere kamer, en hoorden nog geschreeuw komen uit de kamer die we net verlieten. Zo liepen we de toren rond, terwijl we aan de andere kant van de deur geschuifel hoorden. Toen we terug in de hal kwamen, zagen we 4 messen die in de deur staken. De messen aan het plafond waren ook gevaarlijk aan het trillen. Er was nog een deur die leek te leiden naar de bibliotheek, en we gingen er binnen. Nu ja, we probeerden toch. Iedereen geraakte binnen, maar ik stootte op een soort van barrière en stond nu dus helemaal alleen in de hal. De rest geraakte ook niet meer terug.

Plotseling leek er een zandstorm te beginnen rondom mij. De messen begonnen nu op mij af te komen. Ik slaagde erin om alles te ontwijken maar de zandstorm stopte maar niet. Ik hoorde geschreeuw in de kamer waar de rest was, en plotseling brak Thenaka door de barrière heen, en begon mij op slag aan te vallen! Uiteraard kon hij dat niet, hij was er te loom voor, maar hij probeerde wel. De rest probeerde ook bij mij te komen maar slaagde daar niet zo goed in. Daan probeerde wel, maar kwam er gehavend uit. Toen Lyam er door probeerde komen verdween de barrière echter. Thenaka stopte ook met zijn aanvallen, en leek weer bij zinnen te zijn. We besloten om toch maar naar de volgende verdieping te gaan. Maar nu was het gevaar ook op de trappen. Ik en Thenaka geraakten er moeiteloos over, maar Lyam en Daan stapten in een gat in de trap en vielen ver naar beneden. We hadden geen tijd om terug naar beneden te gaan, en konden enkel hopen dat ze in orde waren, terwijl we verder gingen. Op de derde verdieping was niet veel te zien. Er was een hexagram, een heleboel kaarsjes en twee luiken. Eéntje dat naar boven ging en een ander dat naar beneden ging. We besloten om eerst te kijken wat er in het luik zat dat naar onderen leidde. Toen we het open deden, zagen we dat het een kruipgang was. Het was heel nauw, maar Thenaka zag iets glinsteren op het einde. Hij ging kijken en vroeg mij om bij de kaarsen te blijven, en ze uit te blazen, mochten ze plotseling beginnen branden. Ik wachtte even toen plotseling het luik dichtklapte. Ik probeerde het terug open te krijgen, maar dat ging heel moeizaam. Toen het eindelijk lukte, zag ik dat Thenaka aan het strijden was met een soort van fantoom. Uiteindelijk bezweek hij door zijn verwondingen. Ik riep de macht van Tsa aan om hem misschien toch een laatste keer te helpen, en zorgde ervoor dat hij terug kon komen met het glinsterende ding. Het ding was trouwens niets meer dan een stomme kroon. Toen Thenaka terug naar boven kwam, begonnen de kaarsen te branden. We probeerden ze uit te blazen, maar het hielp niet. En toen verscheen de geest van een vrouwelijke elf. Ze probeerde ons kwaad te doen, maar Thenaka gebruikte zijn blauwe bliksemflitsen en verdreef de geest. Het laatste luik bleef over, en dus maakten we het open. Het leidde naar het dak van de toren, van waar we zagen dat we omsingeld waren. Hoe ze wisten dat we in de toren waren was mij een raadsel.

We snelden naar beneden en zagen dat Lyam en Daan hulp nodig hadden. En vreemd genoeg stond de toren in brand! Ik vroeg me af wat ze nu weer hadden gedaan. Maar het belangrijkste was nu om die twee buiten te krijgen. We zouden elk één van de twee meesleuren naar buiten. Maar hoe? We wisten dat Lyam zijn zandloper nog had, en dat we die konden gebruiken. Dus dat deden we. We draaiden de zandloper om en de tijd bleef stilstaan. We wisten dat we maar weinig tijd hadden dus snelden we naar buiten. We waren net buiten de poort toen de tijd terug begon te lopen. We dachten dat we het gered hadden, maar we zagen plots een jongetje naar ons kijken dat begon te roepen: “Hier zijn ze!”. Thenaka sloeg hem zo hard dat het jongetje bewusteloos viel. Ik had geen tijd om te bezwaren. We liepen zo snel mogelijk terug naar de tenten. Daar bleven we om Daan en Lyam te verzorgen. We vertelden Rondrigan wat er gebeurt was. De volgende dag voelden ze zich al veel beter. Daan besloot om naar de magiërsacademie te gaan en daar een beetje te gaan vissen. Hij dacht dat het oog daar misschien kon zijn. Ik en Lyam besloten om met hem mee te gaan.

Maar eens dat we aan de poort stonden, en er iemand het luike opendeed, zagen we de jongen staan die ons had gezien. Hij reageerde niet, en zei dat hij de hoofdmagiër ging vragen of hij ons wilde zien. Daan besloot op dat moment om weg te gaan en ergens in een herberg te gaan zitten, en alles aan ons over te laten. Toen het jongetje terug kwam, samen met een paar anderen zei hij: “Dat zijn ze.” en we werden 'vriendelijk gevraagd' om mee te komen. We zagen trouwens dat de toren volledig was uitgebrand en ineengestort. We gingen mee naar binnen en zagen daar ook Rakala. Ze keek heel boos. Eerst werden we ondervraagd door het hoofd van de magiër. Hij vroeg wat we daar deden, wat we daar zochten, wie er mee was geweest. En uiteindelijk eindigden we met alles te vertellen dat we in de toren hadden meegemaakt. Toen dat gedaan was, vroeg Rakala om even met ons te spreken. Ze vroeg ons wat ons had bezield, en wat ons doel was geweest. Ik wou niet al te veel zeggen, tegen haar. Uiteindelijk ging ze terug naar de andere magiër, en zei dat we hadden gedreigd om te vertellen aan de Praios-kerk dat er demonenmagie in de toren aanwezig was geweest. Ik was een beetje ontzet dat ze zomaar zo'n leugen vertelde! Zoiets zou ik nooit doen! Maar ja, het leek me voorlopig toch het beste om maar mee te spelen. Rakala deed het immers enkel om ons te helpen. Maar dan nog... We gingen terug naar Rondrigans tent. Onderweg kwam Daan terug rustig bij ons lopen, alsof er niets was gebeurd, de lafaard. Terug bij Rondrigan vertelden we wat Rakala had gedaan. Rakala kwam niet veel later onze tent binnen. Ze kwam zeggen dat ze ons achterlijk vond te werk gaan. Nadat ze daarmee klaar was, zei ze dat er wel een dubbele bodem zat in de kist met goud die naar de academie was gestuurd, maar dat die veel te klein was om het oog des morgens in te verstoppen. Ze zei ook dat er een boodschapper was gestuurd naar Jast Gorsan, afkomstig uit de magiërsacademie. Dat kon enkel slecht nieuws zijn. Nu begon ik toch te twijfelen of het wel een goed idee was om nog naar het bal te gaan.

VXXIV Het oog des morgens

En toch moesten we gaan. Daar het oog niet in de toren was, en ook niet in de academie, kon deze enkel nog in het huis van Jast Gorsan zelf liggen. En het zou handig zijn om uit te vinden of we de locatie nog op een goedschikse manier te weten zouden kunnen komen. Die avond gingen we er dus met zijn allen heen. We werden op de normale manier aangekondigd en vreemd genoeg leek Jast Gorsan bijzonder blij om ons te zien. Hij had duidelijk niets in de gaten, wat betekende dat de brief die was gestuurd vanuit de academie, waarschijnlijk bestemd was voor Isora. Jast Gorsan stelde voor dat de eerste dans zou worden uitgevoerd tussen zijn dochter en niemand minder dan Rondrigan, die meteen vuurrood werd. Hij weigerde echter niet, en werd snel op de dansvloer getrokken door het energieke meisje. Zelf zochten we ook een danspartner uit. Ik vond mezelf een mooie Radja-priester, en ik zag dat Daan het had getroffen met die lieftallide Isora. Uiteindelijk kreeg ik de gelegenheid om met Jast Gorsan zelf te dansen. Ik dacht dat dit de goede kans was om te weten te komen waar het oog van de morgen verstopt zou kunnen zitten. Ik begon met een beetje vleierij. Ik zei dat hij nu wel een zeer hoge positie bekleedde, en dat hij best al veel had bereikt, maar daarop antwoordde hij slechts dat hij niet zeker wist of hij het wel waard was, en dat hij liever Praios-priester was geworden, net als zijn broer. Blijkbaar zat hij in dezelfde positie als Rohadja. Hij had een positie moeten aannemen die hij eigenlijk niet had gewild. Maar ja, de plicht riep, als ik zijn verhaal mag geloven tenminste. Ik zei ook dat hij in een zeer mooi gebouw woonde, en dat ik het graag eens had bekeken. Jast Gorsan stemde meteen in met een rondleiding. Uiteraard niet op datzelfde ogenblik, hij moest immers bij zijn mensen blijven, maar hij zou me de volgende dag om 1 uur ontvangen.

Rondrigan was al weggegaan om de één of andere reden, en de rest van de groep wou ook stilletjes aan vertrekken. Ik nam dus ook maar afscheid en vertrok mee terug naar de tent. Maar onderweg werden we onderschept door Rondrigan, die ons dringend iets wilde laten zien. We volgden hem naar een tent. Toen we er binnen keken zagen we Boronian. Dood. Ik voelde geen medelijden voor de man. Ik was zelfs boos op hem. Ik was boos dat ik het had kunnen zien aankomen. Dat hij wederom was gefaald in zijn opdracht, en ik vroeg me af waarom ze hem ooit hadden aangenomen. Uiteraard was de zegelring verdwenen. Rondrigan zei dat men snel van het lijk zou af kunnen komen en dat hij wel een smoesje zou verzinnen. Er kwamen snel wat mannen aan die in de tent gingen, en niet veel later buiten kwamen met kleine kistjes in hun handen. Het was luguber, maar ze hadden Boronian blijkbaar in stukjes gehakt en zo meegenomen. Gruwelijk. Blijkbaar had Rondrigan hem voor het bal willen ontmoeten, maar was dat niet gegaan, omdat Boronian al iemand anders zou ontmoeten. Het was waarschijnlijk dat die persoon hem had vermoord. De tijd drong. Nu de vijand de zegelring had, moesten we snel tot actie overgaan om het oog in onze macht te krijgen. De volgende dag zou ik mijn rondleiding krijgen, en dan zouden we wel verder zien.

De volgende dag speelde ik wat met bloempje, en zocht ik wat kleine dingen om te doen, voordat ik eindelijk naar Jast Gorsan vertrok. Hij liet me inderdaad het hele huis zien. Veel interessants was er spijtig genoeg niet aan. Ik zag niets verontrustends of vreemds. Niets dat me naar het oog zou kunnen leiden, niets abnormaals. Toen hij me gedag zei, kon ik niets anders dan vertrekken met de staart tussen de benen. Spijtig, dan moest het maar op de moeilijke manier. Het gerucht ging de ronde dat Jast Gorsan zijn wacht had verdubbeld, in zijn kelders, het enige ding dat ik niet had gezien. Ik had ook geen wachters tegengekomen, buiten diegene die buiten stond om mij te identificeren. Niets dat er anders niet zou zijn. We zouden 's nachts moeten trachten terug te komen. Rondrigan had al een plannetje klaar, om de wachters uit te schakelen. Ik was geschokt! Rondrigan leek me niet het type om plotseling zomaar mensen uit te gaan moorden. Maar hij legde snel uit dat hij dat niet had bedoeld. Hij zou enkele vaten bier besmetten met wat slaappoeder, en die dan aan de wachters laten uitdelen door enkele mooie dames. Daarna zouden we binnen breken met behulp van een goede inbreker. Rondrigan stelde ons voor aan Roberto. En wat een teleurstelling was dat. Roberto was nog maar een kind. Het was moeilijk om te geloven dat hij ons zou kunnen helpen met een heus dwergenslot. Maar om eerlijk te zijn... hij kon niet slechter zijn dan ons. Dus moesten we maar vertrouwen op die goede oude Rondrigan.

Die nacht gingen we er dus heen. Alle wachters waren inderdaad in slaap, en alles ging van een leien dakje. Onze meesterdief had inderdaad wel wat vaardigheden, maar hij maakte toch enkele foutjes. Dus zorgden Daan en Thenaka ervoor dat de slapende wachters nog een dosis bier binnen kregen, en nog wat langer zouden blijven snurken. We geraakten dan toch binnen in de kelder en zagen daar veel dingen van waarde staan. Daan en Lyam namen enkele papieren mee. Kaarten of zoiets. Maar we zochten eigenlijk maar één ding. De glanzende zwarte steen in het midden van de kamer, geplaatst op een sokkel. Het oog des morgens. Iemand bedacht dat als we het oog eraf zouden halen, er misschien een alarm zou afgaan, omdat er niet meer genoeg gewicht op de sokkel zou staan. Dus zochten we naar iets dat even zwaar zou kunnen zijn. Daan probeerde om de wissel te maken, en mislukte wanhopig. Het alarm ging af, en we renden er hopeloos vandoor, naar de stallen toe. Daan had de zware steen in zijn rugzak gestoken. We zouden paarden bestijgen en wegrijden. Maaar de wachters hadden ons gezien. Daan gooide de steen in het hooi en we deden alsof we de daders voorbij hadden zien komen. Toch pakten ze ons op en namen ons mee naar een kamertje dat ze op slot deden. Het duurde niet lang voordat Jast Gorsan ons de huid vol kwam schelden. Hij vertelde hoe teleurgesteld hij was, en dat hij ons verhaal niet geloofde, en zeker niet omdat hij het oog had gevonden in het hooi. Hij nam ons al onze bezittingen af. Gelukkig hadden Daan en Lyam hun papieren opgegeten. Daarna lieten ze ons zitten, onze executie afwachtend. Ik had er geen hoop meer in. Een ontsnappingspoging leek me nutteloos. Zelfs als we weg zouden kunnen komen, zouden we gezocht worden in het hele middenrijk. Er was dus bijna geen kans om weg te komen. Het was gemakkelijker om het lot zijn werk te laten doen. En toen kwam er een lichtpuntje. De dochter van Jast Gorsan deed de deur open, deed eerst alsof ze kwaad was dat we haar vader hadden durven bestelen, smeet ons toen het oog toe en zei dat we snel weg moesten komen. Nog een beetje in de war door de wispelturigheid van het lot, volgden we haar advies op en trachtten weg te komen. We renden naar het dak van het gebouw en zagen onder ons een rivier doorstromen. Na veel moed bijeen te hebben geraapt, sprongen we allemaal het woest stromende water in, terwijl Jast Gorsan woest over de landen uitkeek, alsof hij ons probeerde te vinden, en dan een woeste wanhoopskreet slaakte.

VXXV En dan nu

We werden meegesleurd door de stroming. Lyam was bijna verdronken. We spoelden ergens op een overtje aan, zonder ook maar enig idee te hebben van waar we waren. Alles dat we wisten was dat het koud was, dat we nat waren, en dat we niets meer hadden. Alles was ons afgenomen door de heerser van het rijk dat we zo hard hadden proberen te beschermen. Maar we moesten snel verder. Wie weet hoe lang het zou dure voordat Jast Gorsan zijn mannetjes achter ons aan stuurde. Heel het middenrijk zou snel genoeg weten dat we gezocht werden, en dan konden we ons nog veel minder vrij bewegen. Jast Gorsan zou er geen gras over laten groeien, dat was zeker. Hij wou immers het oog van de morgen snel terug hebben. We trokken verder in een willekeurige richting. We dachten dat het wel een goed idee was om naar Albernië te trekken, als ze ons daar nog binnen wilden laten. We zouden Lyam moeten dragen, daar hij nog steeds bewusteloos was. We moesten een keer wegduiken omdat er huurlingen voorbij kwamen geraasd op hun paarden, maar uiteindelijk kwamen we al snel aan bij een boerderijtje, waar een echtpaar op het veld aan het werken was. We vroegen of we daar niet mochten overnachten. Ze maakten er geen probleem van. Ze gaven ons eten, en legden Lyam in een warm bed. Ze vroegen wel of we in ruil niet zouden willen helpen, die volgende dag. We gingen akkoord, maar eerst zouden Thenaka en Daan gaaan zoeken naar rood mos en groene algen, zodat ik een drankje kon maken voor Lyam. Hij had een longontsteking, en dat moest snel verholpen worden.

Dus de volgende dag gingen de twee op zoek, terwijl ik op de koeien lette. Stom genoeg, liet ik op een gegeven moment het heje openstaan, en de koeien zagen hun kans en stormden naar buiten, de heuvel af. Ik liep er zo snel mogelijk achteraan, maar kon ze moeilijk bijhouden. In de verte zag ik Thenaka en Daan al terug komen. Zij probeerden ook om de koeien tot stilstand te brengen, maar slaagden er niet in. Toen zagen we van ergens anders een man op ons afkomen. Hij had een herdershond, die snel hielp om de koeien tot stilstand te brengen, en terug op hun plaats te zetten. Ik bedankte de man. Hij was blijkbaar een vriend van het echtpaartje. Ik nam de kruiden over en maakte snel de thee die Lyam weer beter zou moeten maken. Ik diende het toe, maar we zouden nog een dag moeten wachten voor onze bard terug op zijn poten zou kunnen staan. De vrouw van de boer was heel geïnteresseerd in de steen die we hadden. Ze wou hem graag zien, maar we moesten haar vragen het niet te doen. Maar ze keek toch. Gelukkig merkte ze niet wat het blinkende ding was. Toen we met haar praatten merkten we dat ze van veel dingen geen weet hadden. Ze dachten dat Gareth nog stond. Blijkbaar had hun zoon daar gezeten en was die nu waarschijnlijk dood. Plotseling hoorden we luid geklop op de deur. Iemand beval ons om de deur te openen. Het was duidelijk dat de man een soldaat van het keizerrijk was. Thenaka trok de deur met een groot gebaar open zodat we het groepje soldaten zagen. Ze wilden ons gevangen nemen. Ze zeiden dat als ze dat mochten, ze het echtpaar niets zouden doen. We geloofden ze en gingen gedwee met ze mee. Ze bonden iedereen buiten mij vast. Ik mocht zelfs met ze meerijden op het paard, maar ik sloeg dat aanbod af. We liepen een tijdje en kwamen bij een herberg aan. De soldaten gingen niet bij ons slapen. Ik mocht een eigen kamer krijgen, maar ook dat aanbod sloeg ik af. Ik wist dat we zouden proberen te ontsnappen, en als ik in een andere kamer zat zou dat de dingen moeilijker maken.

Ze zetten in onze kamer enkele soldaten. Ik zag dat Daan zijn boeien al had losser gekregen, en die van de anderen ook. Dit door middel van een mesje dat Lyam had meegenomen vanuit de keuken in de boerderij. Plotseling vielen ze de twee soldaten die binnen zaten aan, en schoven het bed voor de deur. Ik sprong uit het raam dat niet al te hoog was, om de paarden van de soldaten te stelen, zodat we een flinke voorsprong op hen zouden kunnen krijgen. Ik nam ze alle 6 mee, zodat geen enkele soldaat achter ons aan zou kunnen komen. Tegen dat ik terug kwam bij de herberg, was de rest al ontsnapt. Ze sprongen op de paarden, en we vluchtten weg, terug naar de boerderij, waar we het oog van de morgen hadden laten liggen. Dit gingen we zo snel mogelijk ophalen. We verontschuldigden ons aan het koppel en besloten om ze niet meer lastig te vallen, dus vertrokken we weer zo snel mogelijk. Gelukkig was het oog blijven liggen, anders was deze hele toestand voor niets geweest.

Eindelijk kwamen we aan bij de grens van Albernië. Daan ging even op verkenning om te kijken of de kust wel veilig was. Het duurde erg lang voor hij weer terugkwam, maar toen hij dat deed, bracht hij een oude bekende mee. Willem, de kapitein. Hij was ook verbaasd om mij en Thenaka terug te zien, en bedroefd om te horen dat de rest was gesneuveld. Blijkbaar was hij ergens een ander weg in geslagen dan Jarek en Elise, wat ik bijzonder vreemd vond om te horen. De laatste keer dat ik hem had gezien zou hij zijn leven hebben gegeven voor de twee. Maar nu zat hij hier, te vechten voor wat er over was van Albernië. Blijkbaar was de burcht Abilacht belegerd, en Franka Galahan was gevangen genomen. Willem vroeg ons of we haar niet wilden gaan bevrijden, alsof we dat zomaar op een twee drie konden doen. We stemden in om het te proberen. Onze vrijheid hing er ook een beetje van af. Albernië was één van de weinige plekken waar we misschien nog veilig waren voor Jast Gorsan. We kwamen te weten dat de opper Radja-priesteres die hier in de tempel resideerde, de zus was van Franka. Misschien konden we aan haar hulp vragen. De Radje-tempel lag nog buiten de ingenomen stad, dus konden we er zonder al te veel problemen binnen wandelen.

We werden vriendelijk ontvangen door mooie meisjes en mannen, gekleed in roze kledij. Toen we vroegen of we de opperpriesteres mochten zien wezen ze ons direct naar haar toe. Ik had verwacht dat ze het misschien veel te druk zou hebben voor een gesprek en dat we een afspraak moesten maken, maar blijkbaar was het zo niet. Toen we haar zagen waren alle mannen onmiddelijk van slag. Ze begonnen te kwijlen over de vrouw alsof ze de godin zelve was. Vooral Lyam werd plotseling heel aanhankelijk. Ik rolde even met mijn ogen, en legde hare genade uit wat we eigenlijk kwamen doen. Ze leek bedroefd. Ze zei dat ze zich niet wilde mengen in dat soort zaken. Zij had een weg gekozen die helemaal anders was dan die van haar zus. Geweiden mengen zich niet in politieke conflicten. Ik wist uiteraard dat ze gelijk had. Maar ze wilde ons op een andere manier verder helpen. Ze gooide een zak kruiden in een potje. We moesten van haar de geuren opsnuiven. We deden wat ze vroeg, en al gauw werden we meegevoerd naar een vreemd dromenland. Sommige beelden leken zeer echt en belangrijk, terwijl andere beelden onbenullig en bizar waren. We zagen roze olifanten, bereden door Roeana Konquebaere... of zoiets. Om eerlijk te zijn weet ik er niet veel meer van. Maar toen we terug bijkwamen, zag ik dat mijn zuster nog steeds achterover lag, te dromen. De mannen gedroegen zich vreemd, en een beetje dom. Lyam probeerde zich stevig vast te klampen aan hare genade. Ik sleurde ze alledrie naar buiten. Het moest maar eens gedaan zijn.

All done

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Dawn
Kind van de Regenboog
Kind van de Regenboog
avatar

Aantal berichten : 866
Leeftijd : 29
Location : Schoten
Registration date : 25-08-07

BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   do feb 04, 2010 9:10 pm

VXXVI Met vallen en opstaan

Ik sleurde de gedrogeerde mannen mee naar buiten, en ging naar de eerste de beste Radja-priester die ik kon vinden om te vragen wat er aan hun toestand kon worden gedaan. Hij leek een beetje ontzet dat ik de toestand wou verbreken, wat alleen maar logisch is omdat het hun manier is van communiceren met hun Godin, maar hij begreep ook dat het een dringend verzoek was. We hadden immers niet veel tijd om rond te hangen. We waren voortvluchtig en hadden betere dingen te doen dan liggen kwijlen naast de opper Radja-priesteres, hoe een mooie vrouw ze ook was. Ik werd aangeraden om de drie met hun hoofden in een emmer water te steken. En zo werd ik doorverwezen naar de stallen. Ik moest voorbij een grote poort met wachters, maar ze lieten me door zonder al te veel vragen te stellen. En toen kwamen we terecht in wijd open velden met groen gras waar witte paarden op ronddartelden. Ergens verderop waren er stallen, en daar zou wel water te vinden zijn. In de stallen zelf ontmoette ik een Radja-priester genaamd Radjaka el Becto. Hij zei dat hij van Rondrigaanse landen afkomstig was. Ik wou dat deze uitspraak destijds een belletje had doen rinkelen, maar helaas. De vriendelijke man hielp me met het ontnuchteren van mijn reisgenoten.

We begonnen met hem te praten, en hij vertelde ons dat we eens moesten langsgaan bij Rahajala Herogan, diegene die deze plek nu bestuurde... voor de Noordmarkers. Maar de Radja-priester was heel overtuigend. Hij leek te denken dat het werkelijk een goed idee zou zijn, dus besloten we om maar naar hem te luisteren. Ik had de indruk dat deze persoon een dubbelspion zou kunnen zijn. Waarom zou hij het ons anders opdringen? En als dat waar was, dan zouden we Rahajala's hulp misschien kunnen krijgen om Franka te bevrijden. Lyam zei dan wel dat hij had gezien waar Franka was, maar hij had haar locatie – vastgebonden in een grot – gezien terwijl hij aan het dromen was door de kruiden van de Radja-tempel. Dit betekende voor mij dat de bron niet zo betrouwbaar was, vooral omdat hij ook had gedroomd over roze olifanten en pastaslierten. Voor we vertrokken zei Radjaka dat we altijd naar hem mochten vragen, wanneer we hem nodig hadden.

Voordat we naar Rahajala gingen echter, gingen we nog even langs bij Willem, om hem te informeren. Maar hem vonden we niet. Hij was weg voor de een of andere reden, maar we vonden iemand anders. Zijn naam was Albor, en hij was de hoofdridder van Honingen. Hij vertelde trots over zijn veroveringen, heroveringen, en de doden die zijn handen hadden veroorzaakt. Het was maar terloops dat hij zich even verontschuldigde aan mij, niet dat er veel gevoel achter die verontschuldiging zat. Hij was van plan om Honingen aan te vallen, en te heroveren. Hij was van plan om niemand te laten leven. Daar stopten we hem. We vertelden dat we vermoedden dat Rahajala Herogan eigenlijk een dubbelspion was. Albor leek niet overtuigd, maar zei dat we even de kans kregen om de waarheid uit te zoeken. Maar als we binnen een bepaald tijdstip niet terug waren, zou hij tot de aanval overgaan. Voor we terug wegtrokken uit het kamp, riep Albor me even bij hem. Hij vertelde me dat hij en zijn vrouw problemen hadden met het krijgen van kinderen en vroeg me of ik kon helpen. Ik was serieus aan het twijfelen of ik hem wel zou helpen, maar ik vertelde hem uiteindelijk dat ik zou doen wat ik kon als ik terug was, want hij moest zijn vrouw daarvoor door mij laten onderzoeken. Hij bedankte mij, beloofde een donatie aan de Tsa-tempel, en daarmee vertrokken we.

Het was pas de volgende dag dat we naar het kasteel gingen, daar het de nacht ervoor al donker was, en de stadspoorten dicht waren. Ervoor gingen we eventjes terug naar de Radja-tempel, omdat we er ineens aan dachten dat hij waarschijnlijk een agent was van de KGIA, en dan konden we een boodschap meegeven naar Rondrigan. Maar spijtig genoeg was hij al weg. Wat meer was, geen enkele Radja-priester had al eerder van Radjaka gehoord. Het was spijtig dat hij weg was, voor we hadden kunnen reageren, maar ergens was het ook bevredigend dat ergens, Rondrigan nog voor ons probeerde te zorgen. Ik begon steeds meer respect te krijgen voor de man. Maar goed, we moesten dus naar het paleis. De poort was open, dus dat was goed. Maar voor de poort van het kasteel stonden twee wachters. We probeerden gewoon binnen te wandelen, maar we werden tegengehouden. We werden gevraagd naar onze namen. Iedereen gaf een valse naam op, maar ik wilde mezelf niet verbergen. Ik was een Tsa-priesteres, een trotse dienares van de Godin, en ik zou dat niet verstoppen. De rest zei dat we boeren waren. Aan mij werd niets meer gevraagd. Het verhaal was dat we boeren waren, wiens velden werden vertrappeld door de soldaten en huurlingen, en dat we daardoor geen eten meer konden maken voor de Noordmarkse troepen.

VXXVII Achter Franka aan

We werden gewezen naar een wachtkamer in het paleis. Daar zaten echte boeren, en een paar mensen die ik niet kon plaatsen. En na een tijdje wachten werden we naar de troonzaal gebracht. En daar zat ze. Rahajala Herogan. Ze keek een beetje verveeld toen ze ons zag. Ze moest vast naar veel saaie problemen luisteren, waar ze de helft waarschijnlijk niet eens kon oplossen. Lyam vertelde haar het verhaaltje dat hij de wachters had verteld. Ze zei dat ze zou proberen ons te helpen en wou ons wegsturen toen Lyam iets gewaagds zei. Hij zei “Onze Rondrigan zal blij zijn om dat te horen”. Met stomheid geslagen keken we Lyam met open mond aan, net zoals Rahajala. Ze vroeg uiteraard om een uitleg, en Lyam zei dat zijn zoontje zo heette. Ik dacht dat hij gek was geworden. Misschien had hij een wens om te sterven, maar om ons erin te betrekken. Rahajala stuurde haar wachters even weg. Toen die weg waren vroeg ze aan ons of wij de helden van Gareth waren. We gaven eerlijk antwoord. Haar volgende vraag was echter belangrijker. Ze vroeg of we nog wilden vechten voor het keizerrijk en Albernië, of dat we de hoop hadden opgegeven. Lyam zei dat we het niet zeker wisten. Dat we niet wisten waar we nu heen moesten gaan. We zeiden dat we haar hulp nodig hadden. Maar ze was niet blij met ons antwoord. We hadden geprobeerd om een veilig antwoord te geven zodat, als ze niet was wie we dachten dat ze was, we nog een overlevingskans konden hebben, maar het vage antwoord had ons lot bezegeld.

Ze zei dat als de helden van Gareth er al geen hoop meer in hadden, alles verloren was. We probeerden haar nog te overtuigen van het tegendeel maar het was te laat. Ze riep de wachters en liet ons in de kerkers gooien. Het was niet te geloven hoeveel kerkers ik al van binnenuit had gezien in mijn leven. Ik. Een priesteres. Dit was de zoveelste, ontelbare. En wederom zaten we vast. Ik had zin om het op te geven. Ik ging gewoon in een hoek zitten, op een stapeltje stro dat er lag. De rest begon al plannetjes te smeden. Zij hadden nog de hoop om eruit te komen. Maar ze kwamen met de domste voorstellen. Daan stelde voor om het hooi tegen de tralies te leggen, en dat in brand te steken. De tralies was van ijzer. We zouden stikken van de rook, en dan zou er nog niets gebeurd zijn met het ijzer. Iemand wilde ook ziek spelen zodat iemand de deur zou opendoen. De discussie ging steeds verder, toen we plotseling een deur, ergens in de kerkers hoorden opengaan. We hoorden iemand van de trap afkomen tegen een snel tempo. Het was Rahajala, en ze had een bebloed zwaard vast. Wat was er nu weer aan de hand? Nu kon ik helemaal niet meer volgen. Stond dit mens nu aan onze kant, of niet? Ze zei dat ze teleurgesteld was in ons dat we nog niet hadden proberen ontsnappen. Daan en Lyam probeerden haar van het tegendeel te overtuigen. Ze vertelden haar welke plannetjes ze al allemaal hadden bedacht. Rahajala leek even onder de indruk als ik was geweest. Ze vroeg ons nogmaals of we de hoop hadden opgegeven. We zeiden van niet. Dat we wilden ontsnappen en Franka Galahan wilden gaan redden. Dat we nooi naar haar waren gegaan als we inderdaad geen hoop meer hadden.

Dit overtuigde haar. Ze zei dat ze de wachters boven had vermoord en dat we haar moesten neerslaan met het zwaard zodat het leek of ze er niets mee te maken had. Ze deed de deur open en Thenaka nam haar zwaard aan. Ze vertelde ook nog dat als we Franka Galahan wilden inhalen, we best konden trekken naar Vaarningen. Dat zou onze beste kans zijn. Blijkbaar werd ze vervoerd op een schip dat over de rivier trok. Na deze informaatie te hebben verkregen gaf Thenaka haar een niet al te lichte tik op het hoofd waarddoor ze bewusteloos viel. Hij nam het zwaard mee, ookal kon hij er niet goed mee werken, en we gingen de trappen op. Wie liepen voorbij een paar lijken en slopen naar buiten. We verlieten Honingen zo snel we konden, maar niet voordat we bij Willem waren langsgeweest. Dit keer was Albor nergens te bekennen. We namen afscheid van het kleine legertje, en vertelden Willem dat ze niet mochten aanvallen, omdat diegene op de troon, een kind van Albernië was. We kregen een paar paarden en vertrokken zo snel we konden naar Vaarningen.

Het was een paar dagen reizen, maar uiteindelijk zagen we inderdaad wat rivierschepen aangemeerd liggen vlakbij wat herbergen aan de waterkant. Er waren veel schepen. Franka Galahan kon maar op eentje zitten. Hoe moesten we te weten komen waar ze zat? We werden gewaarschuwd dat we een bepaalde herberg beter niet in konden gaan omdat de soldaten daar zaten. En blijkbaar waren ze niet te genieten na een paar kroezen bier. We huurden een paar kamers in de goedkoopste herberg, en probeerden uit te vinden waar ze zou kunnen zitten. Daan wilde proberen om dat al zwemmend te weten te komen. Ik vond het geen goed idee, en ging dus niet mee, net zoals Lyam die ook liever een droog pak behield. Dus dook Daan alleen, in de donkere nacht, het water in.

Klaar!

_________________
Griffioenen zijn chimaren!!!
Terug naar boven Ga naar beneden
Profiel bekijken
Gesponsorde inhoud




BerichtOnderwerp: Re: Jaar des Vuur: Dagboek   

Terug naar boven Ga naar beneden
 
Jaar des Vuur: Dagboek
Terug naar boven 
Pagina 1 van 2Ga naar pagina : 1, 2  Volgende

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
DSASpeelgroep :: Karakters Jaar des Vuur :: Femke-
Ga naar: